Benoît Hermans

Het is meestal geen best teken als de galeriehouder, op het verzoek om wat informatie over zijn tentoonstelling, zegt dat die niet beschikbaar is omdat hij van plan is ,,een moeilijke tekst te gaan schrijven''. En daarbij nog begint te glunderen ook. Als dat verzoek bovendien het werk van Benoît Hermans betreft krijgt zo'n opmerking iets potsierlijks, al is het maar omdat Hermans' werk er op het eerste gezicht uitziet als huisvlijt. Superieure huisvlijt, dat wel, maar niet het soort kunst dat je associeert met beschouwingen van Derrida, Foucault en Merleau-Ponty.

Dat Hermans (Wahlwiller, 1963) zijn belangstelling voor zulke filosofen nog ongegeneerd etaleert past wel bij zijn status van buitenbeentje in de Nederlandse kunst. Niet alleen woont de kunstenaar in Maastricht, een stad waar tegenwoordig geen galerie van betekenis meer te bekennen is, hij gebruikt ook nog eens een techniek die niet bepaald in de mode is: de aloude collage. Meestal neemt hij een foto of een schilderij van de rommelmarkt als uitgangspunt, die hij vervolgens beschilert, betekent of beplakt met poppenkoppen en -handen, een vogelkopje, stukken baksteen en hele planken. Daarbij legt hij een opvallende voorkeur voor kunsthistorische motieven aan de dag. Een van Hermans' bekendste werken is een bewerking van Giovanni Bellini's portret van Doge Leonardo Loredan, die voor de verandering geen tuttig mutsje, maar een enorme appel op zijn hoofd draagt.

Ook op Hermans'tentoonstelling in Galerie Ferdinand van Dieten in Amsterdam, waar achttien van zijn werken te zien zijn, valt die combinatie van voorkeuren weer op. De basis van Kruisafname (1999) bestaat bijvoorbeeld uit een schilderijtje van een donkere ouderwetse kamer, dat Hermans vermoedelijk direct van de rommelmarkt heeft geplukt. In het midden heeft de kunstenaar een gat gezaagd waarin hij een stuk plexiglas heeft gemonteerd, daarvoor staan de figuren uit Caravaggio's Graflegging van Christus, netjes uit een reproductie geknipt. Hoe curieus dat ook klinkt, op een vreemde manier werkt de combinatie - je gelooft misschien niet dat het viertal in de kamer staat, maar het geheel vormt wel een heel eigen, absurde wereld.

Dat `wisselen van werelden' is ook het thema waardoor Hermans duidelijk geïntrigeerd is. Maar hij heeft het er niet gemakkelijk mee – je ziet hem soms worstelen. Aan de ene kant wil hij laten zien dat zijn beelden geconstrueerd zijn, dat hij als kunstenaar heeft gemonteerd, geknipt en geplakt, aan de andere kant wil hij dat de toeschouwer die nieuw geschapen wereld als een geheel ervaart. Daarmee heeft hij zichzelf in een paradox gemanoeuvreerd – hij lijkt wel een beetje op het jongetje dat radio's en andere apparaten uit elkaar haalt en verbeterd weer in elkaar zet, maar vervolgens niet weet hoe hij kan laten zien hoe ingenieus zijn ingreep wel niet is geweest.

Hermans' hang naar de filosofie lijkt dan ook op een noodgreep die hij gebruikt om zijn werk van een bodem te voorzien, om zijn `deconstructieve paradox' uit te leggen, en als je het zo beschrijft is dat nog begrijpelijk ook. Maar hij lijkt daarbij te vergeten dat zijn collage's het in de eerste plaats moeten hebben van hun aanstekelijke humor en vernuft. Dat zijn weliswaar geen kwalificaties waarmee artistieke of filosofische bergen worden verzet, maar als hedendaags kunstenaar mag je al blij zijn als je het voor elkaar krijgt.

Benoît Hermans. Galerie Ferdinand van Dieten - d'Eendt, Spuistraat 270, Amsterdam. Do t/m za 12-18u, zo 14-18u. T/m 21 maart.

    • Hans den Hartog Jager