`Asieljongere' moet het zelf rooien

De begeleiding van jongeren die asiel zoeken in Nederland bestaat uit bed, bad en brood. Dat is te schraal, vinden veel van hun verzorgers.

De kat heeft het niet gered. Hij hangt alleen nog op twee foto's aan het verder bijna kale prikbord van het rijtjeshuis in Goes. De vier bewoners, jongens uit Somalië, Sierra Leone, Afghanistan en Irak, waren niet gewend aan huisdieren. Hun mentor, die doordeweeks na schooltijd in het huis aanwezig is, had de kat uit het asiel gehaald omdat ze dacht dat het gezellig zou zijn. Maar de kattenbak werd al gauw een probleem. En toen het dier daar ook nog naast gingen plassen, wilde niemand het meer opruimen. Na een half jaar ging de kat weer weg.

De vier `alleenstaande minderjarige asielzoekers' (AMA's) in het huis zijn 16 of 17 jaar. Eén woont er pas drie weken, een ander gaat binnenkort op zichzelf wonen. In de huiskamer staan banken, een tv en een telefoon met voorgeprogrammeerde nummers (de dokter e.d.). Boven de telefoon hangt een brandblusser. `Sober doch humaan' heet de inrichting in het beleidsjargon. Mentor Jacqueline Lepoeter: ,,Een fietspomp kom je hier niet tegen. Die neem ik dan zelf mee.'' Elke slaapkamer heeft een bed, een bureau, een kast én een koelkast: ,,Als je aan iemands eten komt, kan dat heel bedreigend zijn.''

Steeds meer kinderen komen in hun eentje als asielzoeker naar Nederland. In 1996 werden er ongeveer vierduizend opgevangen, nu meer dan zevenduizend. Tot ze achttien zijn staan de kinderen onder toezicht van een voogd van De Opbouw, een Utrechtse voogdij-instelling betaald door het ministerie van Justitie. Na de eerste tijd in het asielzoekerscentrum, in principe niet meer dan drie maanden, gaan jonge kinderen naar een pleeggezin of woongroep. Oudere (14 tot 18 jaar) komen terecht in een Kleinschalige Wooneenheid (KWE). De Opbouw huurt hiertoe huizen van jeugdinstellingen, inclusief 24 à 30 uur begeleiding per week door een `mentor'. Voor de rest moeten de jongeren zichzelf redden. Na hun achttiende moeten ze geheel op eigen benen kunnen staan.

Veel mentoren zijn ontevreden over dit systeem. Zij vinden dat een deel van de jongeren meer zorg nodig heeft, soms ook nog als ze ouder zijn dan achttien. De voogden van de Opbouw, die de volledige verantwoordelijkheid dragen maar de kinderen slechts één keer per maand zien, hebben volgens de mentoren te weinig oog voor probleemgevallen en spanningen in de huizen. Uit zichzelf kunnen de mentoren niet ingrijpen; de voogd beslist.

Bijna een jaar geleden escaleerde in een huis in Lelystad een ruzie over de tv. Een Chinese jongen stak daarop een Algerijnse jongen dood. Volgens J. Zomer van de stichting Bredervoort in Barneveld, waaraan het huis toebehoort, is het moeilijk om bij een sluimerend conflict extra begeleiding te krijgen via de voogd. ,,Je moet met hele zware argumenten komen.'' Na de steekpartij in Lelystad heeft Zomer besloten voortaan in elk geval direct in te grijpen bij tekenen van agressie, ook al is dat eigenlijk de verantwoordelijkheid van de voogd. Volgens hem zou het goed zijn als al in het Onderzoekscentrum, het eerste verblijf van asielzoekers in Nederland, zou worden gelet op probleemgevallen. ,,Dat je kijkt: wie moet je een status aparte geven en niet in een zelfstandige KWE zetten.''

Directeur J.W. de Jonge van de stichting Valentijn, die een deel van de AMA's opvangt in de eerste drie maanden, vindt 24 uur begeleiding per week sowieso te weinig. ,,Dat zouden we geen Nederlands kind aandoen. Maar kinderen die toch al ontheemd zijn moeten het rooien met een rantsoen van bed, bad en brood. Jongeren beneden de zestien jaar hebben recht op dag en nacht toezicht.'' Ook vindt De Jonge de eerste opvangperiode van drie maanden te kort om jongeren zoveel Nederlands en Nederlandse gewoonten aan te leren dat ze zich kunnen redden. ,,Wat krijg je: vier jongeren in één huis, vaak uit vier verschillende landen. Het enige wat ze gemeenschappelijk hebben is het Nederlands. En dat kennen ze nog niet. Geen wonder dat dingen kunnen escaleren.''

Directeur J. van Oostrom van De Opbouw vindt het systeem goed zoals het is. ,,We willen de jongeren zo snel mogelijk uit het asielzoekerscentrum halen en daar hebben we inderdaad een vrij strakke structuur voor. Maar vorig jaar bleek uit onderzoek door de Universiteit Leiden dat sommige jongeren vinden dat ze te veel zorg krijgen. Ze vonden dat dingen niet voor hen, maar met hen gedaan moesten worden.''

De Afghaanse jongen in het huis in Goes is tien maanden in Nederland. Net als de anderen leert hij Nederlands op een school in Middelburg. Hij vindt het vooral ,,heel moeilijk'' dat hij nog steeds niet weet of hij kan blijven en elke week naar de politie moet om een stempeltje te halen. De Somaliër zou liever alleen wonen, maar vindt het samenwonen geen groot probleem. Ja, soms maakt iemand vuil wat jij net hebt schoongemaakt. En soms begrijp je elkaar echt niet.

Hun mentor Jacqueline Lepoeter heeft kritiek op het plaatsingsbeleid van de Opbouw. ,,Drie weken geleden is een jongen uit Koerdisch Irak hier in Goes geplaatst, terwijl er in Capelle aan den IJssel massa's vrienden van hem zitten. Laat die jongen naar een omgeving gaan waar nog iets vertrouwds is.'' Volgens De Opbouw kan dit vaak niet wegens plaatsgebrek.

Met de voogd van `haar' vier jongens heeft Lepoeter goed contact. Maar ook zij vindt 24 uur per week mager. Vergaderingen, het bijhouden van de kas, het maken van verslagen gaan nog af van de tijd die ze heeft voor de begeleiding. Echt lastig wordt het als jongens gaan spijbelen, slecht slapen, slecht eten. Zij kan dan weinig doen. ,,Dit is geen behandelhuis. Je kunt niet zeggen: we gaan lekker zitten therapieën.''