Arinks textiele beelden pronken als draperieën

De lichtroze sculptuur van satijnachtige stof lijkt nog het meest op een gevild dier, een karkas aan een vleeshaak, klaar om door de slager in stukken gehakt te worden. Het beest heeft geen kop of hoeven meer en ook de ingewanden zijn verwijderd. Kwetsbaar hangt het met opengesperde ribbenkast aan de muur. Schilders als Chaim Soutine en Francis Bacon maakten prachtige doeken met dergelijke kadavers als onderwerp. Zij schilderden de afgestroopte beesten als angstaanjagende hompen rauw vlees. Dit beeld is anders. Het is eerder geruststellend dan afschrikwekkend, zacht en esthetisch in plaats van plastisch en gruwelijk. Bij nader inzien blijken het twee figuren te zijn die met hun middenrif aan elkaar vastzitten. Verstrengelden, noemde kunstenaar Karin Arink de wezens. Ze bieden elkaar troost.

Alleen is maar alleen, moet Karin Arink (1967) bij het maken van haar beelden gedacht hebben. Al het werk op haar tentoonstelling I + I = H in het Nederlands Textielmuseum gaat over samenzijn. De beelden kronkelen om elkaar heen, klampen zich aan elkaar vast of vloeien in elkaar over. Soms resulteert dit in een vrijwel abstract beeld als Wikkel (1995), dat bestaat uit een dikke en een dunne satijnen slang, die letterlijk verstrengeld zijn tot een lang koord. Andere beelden refereren directer naar het menselijk of dierlijk lichaam en tonen rompen en ledematen die aan elkaar zijn vastgenaaid.

Een eenvoudig animatiefilmpje (When 2 become 1, 1998) visualiseert de raadselachtige titel van de tentoonstelling. Vanuit de linker- en rechterrand van het televisiescherm maken zich twee verticale strepen los, die langzaam naar elkaar toe bewegen. Halverwege reiken ze elkaar de hand en vormen zo de letter H. Eén plus één is één. Het is de eerste keer dat Arink, die momenteel in een Japans gastatelier verblijft, met video werkt. Tot nu toe maakte ze haar beelden in klei, hout, gips of textiel.

Textiel lijkt op huid. Het is slap en kwetsbaar en krijgt pas vorm als er steun aan wordt gegeven. De textielen beelden van Arink zouden zonder steun als levenloze plumpuddingen op de grond liggen, als kledingstukken in de wasmand, maar eenmaal opgehangen krijgen ze volume. In lange slierten hangen de beelden aan het plafond. Het lijken achtergebleven, omkrullende huiden waaruit het lichaam is verdwenen. Een met slangenprint bedrukte strook stof is slechts een omhulsel. Het beest zelf is verveld en heeft zijn schubben achtergelaten.

Arinks presentatie in het Textielmuseum is met zes beelden en twee animatiefilmpjes bescheiden. Door te selecteren op materiaal is een eenzijdige tentoonstelling ontstaan, die weliswaar een ontwikkeling laat zien van zinnelijke lichamen naar meer abstracte vormen, maar die bovenal koel en afstandelijk aandoet. De beelden van stof missen de macabere lading, het aangrijpende karakter dat Arinks klei- en gipsbeelden kenmerkt. Ze kronkelen niet hulpeloos over de grond, maar liggen te pronken op een sokkel of hangen statig, als barokke draperieën, in nette witte ruimtes. Alleen een gerafeld stukje stretchlak of een loshangend draadje herinnert dan nog aan de vergankelijkheid van het lichaam.

Tentoonstelling: Karin Arink, `I + I = H.' T/m 18 april in het Nederlands Textielmuseum, Goirkestraat 96, Tilburg. Di t/m vr 10-17u, za en zo 12-17u.