Zaak-Van Ede: voetbal is geen oorlog meer

Voor het eerst in de geschiedenis van het profvoetbal is een speler veroordeeld tot schade- vergoeding voor een toegebrachte blessure. De amateursport ging bijna tien jaar geleden reeds voor. Sport is juridisch gezien een geval apart maar het wordt wel steeds meer een gewone bezigheid.

Het neerhalen van een tegenstander die een doelrijpe kans heeft, is een geaccepteerd verschijnsel in het betaalde voetbal. Zo klaagde het Praktijkboek voor de sportbestuurder al in 1981. Wat vroeger incident was, was toen al uitgegroeid tot gemeengoed. Zorgvuldig wordt het nadeel van een mogelijke sanctie afgewogen tegen het voordeel dat de overtreding brengt. Wie dat niet doet, geldt als een dief van eigen portemonnee – of, erger nog, van de beurs van de ploeggenoten.

Het was onvermijdelijk dat deze ontwikkeling voor een tegenbeweging zorgde, een beroep op het aansprakelijkheidsrecht in geval van sportblessures. Van oudsher hebben de juristen deze boot juist afgehouden. ,,Het spel als immuniteit'', heeft de hoogleraar sportrecht en oud-hockey-international Heiko van Klaveren dat zelfs genoemd. Misslagen zijn van tijd tot tijd onvermijdelijk, merkte de Hoge Raad laconiek op in het geval van twee tennissers. De een sloeg na zijn service-game een aantal ballen naar de overkant en raakte de ander in zijn oog met als gevolg blindheid.

Deelnemers aan een sport hebben tot op zekere hoogte gevaarlijke gedragingen waartoe het spel uitlokt van elkaar te verwachten, zo was de boodschap. In elk geval moeten ze op meer bedacht zijn dan waaraan de gewone burger buiten het kader van de sport hoeft te denken. Het enkele feit dat sportbeoefening door een ongelukkige samenloop van omstandigheden letsel tot gevolg heeft, maakt de gevaarlijke handelingen niet onrechtmatig.

De spelregels nemen uiteraard een speciale plaats in bij de beoordeling van schadegevallen in de sport. De spelregels zijn immers van belang voor de vraag waar de sporter bedacht op moet zijn als hij of zij de arena betreedt. Dat er sprake is van een overtreding is echter niet automatisch voldoende voor een veroordeling, besliste de Hoge Raad in 1991 een geval van natrappen op het voetbalveld. Het ging om de wedstrijd Achilles 94-Drachten 2.

Of er sprake is van een overtreding vormt slechts een van de factoren die meetellen bij de beoordeling van toegebrachte sportblessures door de rechter. Er is verschil tussen een ,,gewone'' en een ,,gemene'' overtreding, zoals de Groningse oud-hoogleraar Brunner het uitdrukte in zijn commentaar op de voetbaluitspraak. Zou elke overtreding een onrechtmatige daad opleveren, dan zou het zelfs verboden zijn wedstrijden te organiseren, want overtredingen liggen zozeer in de loop der verwachtingen dat de organisator daartoe dan strikt genomen zou uitlokken.

Maar daarmee is het sportveld zeker nog geen vrijplaats voor het plegen van onrechtmatige daden, zo voegde professor Brunner daar direct aan toe. De Hoge Raad bevestigde in het geval van natrappen inderdaad de veroordeling tot een schadevergoeding. Het was dan ook een zeer kras geval: ,,Een groot defect op het bot aan de binnenkant van de knie met loshangende flarden en losse kraakbeenstukken.'' Het verweer dat hier sprake was van ,,risico-aanvaarding'' door het slachtoffer werd verworpen. Dat vond de Hoge Raad geen goede term voor de juridische ruimte die op het speelveld moet bestaan.

Die ruimte is er ook na de uitspraak uit 1991 gebleven. Brunner herinnert aan een oud rechtsbeginsel dat het onbillijk is een ander in rechte iets te verwijten wat ook jezelf verweten kan worden. Maar de Hoge Raad maakte in 1991 wel een eind aan de slagzin ,,voetbal is oorlog''. De bekende Tilburgse rechtsgeleerde Schoordijk heeft de gevolgen van deze uitsp

raak dan ook betiteld als ,,vergaand''. De rechter in Utrecht heeft deze draad nu in de zaak Van Ede-Hoekman opgepakt.