Trou moet blijcken

Verhangen

's Nuchtens, over winter, hangt 'n

schuwe schooier, in de top

van een eike, langs 'n wegel,

witgeijzeld, aan 'n strop.

Z'n gerokken lijf, in vodden,

wiegelt, met 'n doof gezucht

van de takken, lijk de slinger

van 'n uurwerk, door de lucht.

Diepe, met de randen vóór z'n

ogen, zit 'n vette hoed,

en er leken uit z'n neuze-

gaten zwarte druppels bloed.

Over 't veld, in wilde snakken,

loopt de scherpe wind en vaart,

huilend lijk 'n brakke, door de

stoppels van z'n roste baard.

Uit de hemel, grauw lijk asse,

met 'n aardig moordgeschreeuw

draait 'n kraaie, rond den eike,

nerewaarts, tot in de sneeuw.

En ze vlucht, omdat de schooier

z'n bebloede tong uitsteekt,

naar de zon, die lijk 'n gouden

penning, door het oosten breekt.

Omer Karel de Laey (1876-1909)

Een arme schooier, een zelfmoordenaar in de winter – fraai materiaal om verdriet en mededogen tentoon te spreiden, prachtig onderwerp om al het sociale onrecht ter wereld in één beeld te vangen. Omer Karel de Laey pakt het knapper aan. Hij beschrijft alleen. Geen aanklacht klinkt, geen traan van liefdadigheid welt op, er is alleen die minutieuze schildering van de schooier tussen de eikentakken.

Het spreekt vanzelf dat de aanklacht – het onuitgesproken verwijt aan de samenleving – er des te schrijnender om is.

Een eigenaardige spanning is er tussen de volkse taal en de strakke regie van dit gedicht. De `sappige' taal wekt een gevoel van vertrouwelijkheid, of het een landelijk tafereeltje betreft. De beschrijving daarentegen verloopt afstandelijk en staccato, met in elke strofe een ander gezichtspunt. We zoomen als het ware schoksgewijs in.

In de eerste strofe zien we de schuwe schooier die op een winterochtend in een witgeijzelde entourage aan een strop hangt. Dat is het totaalbeeld. In de tweede strofe wiegelt zijn lijf door de lucht als de slinger van een uurwerk. De derde shot betreft de zwarte druppels bloed die onder de vette hoedrand uit zijn neusgaten lekken. De vierde strofe onthult de stoppels van z'n rossige baard, waar de wind jankend doorheen trekt. Van omhoog – vijfde strofe – spiraalt vervolgens een asgrauwe kraai neer, als het ware het magere, starre silhouet tegen de ijzel en de sneeuw benadrukkend. De kraai slaat in de zesde strofe op de vlucht omdat de schooier zijn bebloede tong uitsteekt. Daarmee is het beeld van de vogelverschrikker afgerond. Wij weten wat de kraai niet weet. De schooier steekt zijn tong tegen wil en dank uit. Het is een paarse tong – vanwege de strop. Van alle plastische beelden in dit gedicht is het slotbeeld misschien het meest plastische. Het kadaver van de zelfmoordenaar steekt zijn bebloede tong uit

naar de zon, die lijk 'n gouden

penning, door het oosten breekt.

Het staat ons vrij daar een sociaal ontwaken in te zien, een dageraad die althans voor deze schooier te laat komt. Het staat ons vrij de gouden penning als een vergeefse belofte van financiële welstand te beschouwen. Zonder al die symbolische poespas is het beeld al krachtig genoeg. De zon die zich onstuitbaar door het bleke ochtendlicht perst, het heeft niets van de sentimentaliteit die zonsopgangen en zonsondergangen in de kunst dikwijls aankleeft. De zon die uit de zee wordt getild `met zijn uitgespreide pruik van levend goud' (P.C. Hooft) – het niveau van die beeldspraak werd niet vaak meer gehaald.

Omer Karel de Laey heeft veel aan Gezelle te danken en ook zijn penning zal hij bij hem hebben geleend. Gezelle heeft het ergens over een zon die wegzinkt boven een oceaan en dan komt het zowel gewaagde als overtuigende beeld:

Zo heerlijk is 't, als of er zoude

'n reuzenpenning, rood van goude,

de reuzenspaarpot vallen in

der slapengaande zeevorstin

– sinds dat gedicht van Gezelle kan ik een dalende zon aan de einder niet anders zien dan als een gloeiende rijksdaalder die in een gleuf verdwijnt.

Je moet als dichter van goeden huize zijn om voor een zon die opkomt of ondergaat nog iets origineels te bedenken. Onlangs kwam ik een gedicht tegen van de Zuid-Afrikaanse dichter Donald W. Riekert – in de bundel Heuning uit die swarthaak (Kaapstad, 1986) waarin de regels

Hoor die roep

van die bokwagtertjie

hoor hoe krul die

voorslag van sy stem

om en om die ver

kameeldoring hoor hoe

keer die roep terug

van die kliprant

hy roep die bokkies kleintjie

hulle moet slaap

die jong lammers kan

vir oulaas jou handjies lek

en melkies soek voor die

son se rooi kool afsak

agter die kliprant

– voordat de zon z'n rooie kool afzakt achter de bergrug... Die rooie kool kan wat mij betreft concurreren met de reuzenpenning. Ik weiger te weten of het hier om een vurig kooltje gaat – gloeiende steenkool – of om de rooie kool van de groenteboer. Ik wil de ambiguïteit die het Afrikaans me op het eerste gezicht biedt niet kwijt. Poëzie is wel eens gebaat bij een misverstand.