Technolease niet strijdig met verdrag

De ambtenaren van Europees commissaris Van Miert (mededinging) die verboden staatssteun onderzoeken, zijn van opvatting dat de technolease-constructie van Philips en de Rabobank niet in strijd is met het Europees Verdrag.

Dit heeft Van Miert vanmorgen voor het Radio 1-Journaal meegedeeld. De commissaris voegde eraan toe dat hij eerst nog het oordeel van juridische deskundigen zal vragen alvorens zelf een conclusie te trekken. Als Van Miert zijn staatssteun-ambtenaren volgt, hoeven Philips en de Rabobank het door hen genoten financiële voordeel niet terug te betalen.

Van Miert dook voorjaar 1997 in het technolease-dossier. Deze krant meldde toen dat uit berekeningen van ambtenaren van Financiën bleek dat de staat belastinginkomsten van een kleine 1,1 miljard gulden misliep door toepassing van deze fiscale constructie door Philips en de Rabobank.

Bij de constructie, die werd beklonken toen Philips zomer 1993 in grote problemen verkeerde, verkocht Philips technische kennis van een kleine 2,8 miljard gulden aan de Rabobank. Het bedrijf ontving daarvoor in 1993 van de bank een directe betaling van 600 miljoen gulden.

De Rabobank werd zo over datzelfde jaar in de gelegenheid gesteld 2,8 miljard gulden van haar winst af te trekken, wat volgens de Financiën-ambtenaren leidde tot de verlaagde belastingafdracht van 1,1 miljard. De ministers Zalm (Financiën) en Wijers (Economische Zaken) wezen er echter op dat het fiscale voordeel dat de Rabobank op de korte termijn boekte later ongedaan werd gemaakt door Philips, nu dit bedrijf door de constructie nieuwe winstkansen kreeg en dus verhoogde belastingafdrachten in de toekomst zou verrichten. De ambtenaren van Van Miert nemen deze redenering nu over, zo bleek uit de uitlatingen van de Europees commissaris vanochtend. Hij maakte bovendien duidelijk niet te verwachten dat een nog te ontvangen juridisch advies deze conclusie nog verandert.

Daarmee zou een einde komen aan het debat over de technolease-constructie, dat sinds 1993 betrokken politici, ambtenaren en onderzoekers verdeeld heeft gehouden. Het startschot werd geleverd toen minister J. Andriessen van Economische Zaken najaar 1993 in een interview met de Vpro-radio door liet schemeren dat hij Philips te hulp was geschoten. Duidelijk werd dat staatssecretaris Van Amelsvoort (Financien) zich tegen de constructie had verzet. De Kamer, die vertrouwelijk werd geinformeerd, sprak daarop haar goedkeuring over de constructie uit.

De zaak werd opnieuw actueel toen de Algemene Rekenkamer eind 1996 in een onderzoeksrapport een zeer negatief oordeel over de technolease velde. Het ging daarbij met name om de toepassing van de constructie bij het failliete Fokker, dat een jaar na Philips een zelfde technolease mocht toepassen. Uit het rapport bleek dat de belastingdienst in Amsterdam, belast met de aangifte van de Rabobank, driemaal had geweigerd de constructie te laten passeren. Ook staatssecretaris Van Amelsvoort had zich opnieuw tegen de technolease verzet, en in brieven aan collega-bewindslieden geschreven dat bij Philips was afgesproken dat het hier ,,eens-maar-nooit-weer'' betrof.

De Rekenkamer merkte op dat sprake was van discriminatie van bedrijven, omdat in 1992 Daf, dat toen in problemen verkeerde, was geweigerd een technolease toe te passen. Ook meende de Rekenkamer dat de constructie een onevenredig financieel nadeel voor de schatkist opleverde.

De ministers Wijers en Zalm verzetten zich fel tegen de conclusies van de Rekenkamer. De Kamer steunde de bewindslieden andermaal. Nadat deze krant voorjaar 1997 de gedetailleerde feiten over de constructie beschreef, startten zowel de Kamer als Van Miert echter alsnog een onderzoek. De Kamer oordeelde al datzelfde jaar dat er niets aan de hand was. Van Miert bleef echter vermoedens van onrechtmatige bevoordeling van Philips houden en zette zijn onderzoek voort. Dit wordt naar verwachting binnen enkele maanden afgerond.