Roem en glorie 1

Verdun is een vredig stadje, onderworpen aan het vreselijkste oorlogsmonument dat ik ooit zag. Het is een toren met daarop een zwijgende ridder, die dreigend over de stad kijkt. Als ik hier drie jaar oud was zou ik 's nachts geen oog dicht doen. Onder zijn voeten ligt een museum met de gebruikelijke roem en glorie, dezelfde gloriedrift waaraan het Franse leger hier bijna bezweek.

De slag bij Verdun duurde tien maanden en kostte zo'n half miljoen levens, meer doden dan ooit per vierkante kilometer. Uiteindelijk kwam niemand veel verder, maar voor de Duitse chef-staf Von Falkenhayn was dat niet zo belangrijk. Hij wilde vooral doden. Hij wist dat Verdun voor de Fransen van grote symbolische betekenis was, dat ze er alles voor overhadden, en hij wilde ze hier letterlijk laten `doodbloeden'. Hij had de mentaliteit van de Franse generaals goed aangevoeld: ze gooiden alles en iedereen in de strijd, dachten alleen aan glorieuze aanvallen en bekommerden zich nauwelijks om de levens van hun manschappen. Je ziet het nog aan hun loopgraafresten: ondiep en provisorisch, tegenover het beton van de Duitsers. De enige toevoerweg, de nu zo bewierookte Voie Sacrée, bleef intact, maar ook dat was een deel van de Duitse opzet: voor doodbloeden is immers een ader nodig. Voor de gewone Franse solaten was dit `de grote worstmachine' en al van verre zagen ze de stinkende hel van gerommel en vuur, een holocaust in het klein.

Verdun was een fuik voor het Franse leger, met roem en glorie als aas. Dat was de militaire werkelijkheid waarover hier geen museum rept.