Provincies zijn medeschuldig aan hun onduidelijke rol

Aan de vooravond van de verkiezingen vor de Provinciale Staten is van enige verkiezingskoorts weinig te merken. Voor de burger is het belang van deze bestuurslaag in nevelen gehuld. Dat ligt niet alleen aan de burger, vindt Frank W. van den Berg.

Van verkiezingskoorts voor de provincies is nog weinig te merken. Het belang van de Provinciale Staten is kennelijk niet zo duidelijk voor de kiezers. Toch staat er veel op het spel, al was het maar dat de Statenleden de leden van de Eerste Kamer kiezen. De provincies hebben er wel zelf aan bijgedragen dat hun rol voor de burger onduidelijk is. Dat kan anders en beter.

In de 17de en 18de eeuw waren de Staten politiek machtige lichamen. In de gedecentraliseerde Republiek der Verenigde Nederlanden bepaalden de Staten het landelijke beleid via de Staten Generaal, waarnaar bijvoorbeeld Holland, Zeeland, Friesland haar Gedeputeerden afvaardigden. De zegswijze `op zijn elfendertigst' verwijst naar de ruggespraak die nodig was met de achterban in de provincies en zo tot trage besluitvorming leidde. Sinds het begin van de 19de eeuw is de politieke invloed van de provincies aanzienlijk beperkter. Over de landspolitiek gaan de provincies allang niet meer. Zelfs over een voor bijvoorbeeld Noord-Holland belangrijke zaak als Schiphol vindt de besluitvorming uiteindelijk toch in Den Haag plaats.

Maar voor de dagelijkse gang van zaken die de burger betreffen, is de provincie wel degelijk van belang. De provincie speelt een belangrijke rol op het gebied van de ruimtelijke ordening, verkeer en vervoer, milieu en water en ouderen- en gezondheidszorg. De Provinciale Staten vervullen daarin een plannende en coördinerende rol, die voor de burger echter nogal onzichtbaar is.

Toen Thorbecke zijn Provinciewet in 1850 opstelde ging het vervoer per trekschuit en de communicatie per postduif. In die tijd was het organisatorisch noodzakelijk om een verdeelschijf tussen gemeenten en het Rijk te creëeren. In deze tijd is het echter inderdaad de vraag of drie bestuurslagen nodig en efficiënt zijn.

De bepleite stadsprovincie Amsterdam was bijvoorbeeld een goed idee, alleen was het voorgestelde gebied te klein. Alle gemeenten die economisch met Amsterdam verbonden zijn en die in het Noordzeekanaalgebied liggen zouden bij de stadsprovincie gevoegd moeten worden. Dat gebied is vele malen groter dan wat was voorgesteld en omvat in feite de huidige provincie Noord-Holland met uitzondering van de kop (Den Helder, Texel). Het ligt niet voor de hand om van de kop van Noord Holland een zelfstandige provincie te maken. Dus de stadsprovincie Amsterdam is er allang.

Net als bij opeenvolgende centralisatie- en decentralisatiegolven in het bedrijfsleven zijn ook alle voorstellen voor stadsprovincies en gemeentelijke herindeling onderhevig aan modes. Er zijn talloze argumenten pro en contra alle voorstellen. Het roept altijd heftige reacties op. Een perfecte oplossing bestaat niet. Het lijkt zo langzamerhand het beste om het aantal en de omvang van de provincies en gemeenten min of meer te handhaven op het huidige niveau. Alleen echt kleine gemeenten zouden samengevoegd kunnen worden. Het is wel zinvol om de provincies zelf en het bestuur daarvan (de Provinciale Staten) een `facelift' te geven als gevolg waarvan ondermeer de zichbaarheid groter en het bestuur efficiënter wordt.

In het kader van een facelift zouden bevoegdheden en budget van de provincies vergroot kunnen worden. Terwijl het Rijk 232 miljard gulden en de gemeenten 60 miljard gulden te besteden hebben, bedroeg de begroting van alle provincies vorig jaar tezamen `slechts' 5 miljard gulden. Ook zou het aantal Statenleden verkleind kunnen worden. Voor het beperkte takenpakket zijn 51 (Drenthe) respectievelijk 83 (Zuid-Holland) Statenleden aan de ruime kant. Verkleining leidt ook tot grotere zichtbaarheid van Statenleden.

Het aantal (semi)-ambtenaren en vertegenwoordigers van instellingen, verenigingen en verzelfstandigde overheidslichamen is onevenredig hoog. Een vraagteken kan gezet worden bij de dubbelfuncties (gemeenteraadsleden, wethouders, burgemeesters) van veel Statenleden. Belangenconflicten zijn niet te vermijden. Vers bloed van buiten het wereldje van de overheidsdienaren en beroepsbestuurders kan verfrissend werken. Bij voorkeur zou in de avonduren vergaderd moeten worden. De meeste commissie- en Statenvergaderingen zijn nu overdag. Voor statenleden die werkzaam zijn in het particuliere bedrijfsleven is dit belastend.

In ons monistische systeem zijn gedeputeerden tevens Statenlid. Het college van GS bestaat meestal uit een coalitie van de grote partijen. Grote politieke tegenstellingen worden nogaleens versluierd en debatten zijn doorgaans mat. Een dualistisch stelsel komt de duidelijkheid, het politieke debat en de kwaliteit van het bestuur ten goede. Gedeputeerden zijn dan geen Statenleden, waarschijnlijk wel ex-Statenlid, en zouden ook van buiten benoemd kunnen worden.

Door de verkiezing van alle Provinciale Staten op één dag te houden domineert de landelijke politiek de agenda. De landelijke fractieleiders zetten de toon in de campagne. Het is al eerder voorgesteld: spreid de verkiezingsdata voor de provincies, zodat voor de provincies belangrijke punten de hoofdmoot van de campagne vormen. Aldus kunnen politieke leiders in de provincie beter uit de verf komen.

Steden als Enschede, Eindhoven, Rotterdam en Amsterdam hebben met elkaar gemeen dat zij aanzienlijk groter zijn dan de hoofdsteden in de desbetreffende provincies. Het is niet onlogisch dat het deze steden steekt dat ze naar de pijpen van een kleinere provinciale hoofdstad moeten dansen. Verplaatsing van provinciale hoofdsteden ligt in de rede. Den Haag is tenslotte al regeringsstad, Amsterdam is onze hoofdstad, maar merkt daar alleen iets van bij de inhuldiging van de koning.

Ir. Frank W. van den Berg is lid van de Provinciale Staten van Noord- Holland en maakt deel uit van de fractie van de VVD.