Narcissen in 2300 soorten

In de kop van Noord-Holland bloeit 's werelds grootste collectie narcissen. Karel van der Veek, bloembollenhandelaar in Burgerbrug bij Petten, verzamelt ze al bijna twintig jaar. Puur voor zijn plezier houdt hij zo'n 2300 verschillende soorten in stand. Massa's gele, witte en roze narcissen, met enkele of dubbele bloemen, al of niet geurend, met flinke bossen loof of ijle sprietjes, staan samen op de akker achter het bemoste stolpboerderijtje. Daarbij zijn veel oude en vaak lang vergeten cultivars, die luisteren naar namen als Emperor, een 120 jaar oud ras, of Willem de Zwijger — nu weer actueel.

,,Kijk hier heb je de Picobello, een miniatuurtje'', wijst de door zon en wind verweerde kweker. ,,En dit kleine Amerikaantje heet XIT. Dit is de witste narcis die ik ken. Die is zò wit, echt helemaal wit, die vind ik nou leuk. En hij ruikt zo lekker.'' Een eindje verderop staan de Tazetta's, een nieuwe trend. ,,Als je die vertroetelt krijg je wel vijftien of zestien geurige bloemetjes per bol. Je kunt die bollen het hele jaar rond binnen vijf tot zes weken in bloei trekken — ideaal voor tentoonstellingen.''

Wegens rugklachten moest Van der Veek 25 jaar geleden stoppen als commercieel kweker. Hij werd vertegenwoordiger bij de Coöperatieve Nederlandse Bloembollencentrale (CNB) in Lisse. Om zijn klanten te laten zien wat er zoal te koop was, plantte hij bollen van verschillende handelsrassen. Van lieverlee breidde de verzameling zich uit. ,,Hier staan zo'n 1.500 soorten en bij Heemstede heb ik nog eens 800 handelssoorten staan. Je raakt in dat wereldje bekend, je krijgt eens wat, je ruilt eens wat.''

Botanische tuinen over de hele wereld weten hem te vinden. Regelmatig ontvangt hij materiaal van Amerikaanse veredelaars om te testen. Compleet is de collectie nog lang niet. Onlangs schafte Van der Veek een cd-rom aan, waarop 13.000 soorten narcissen beschreven staan en hij bezit een boek waarin zelfs 25.000 soorten staan. Het leeuwendeel is niet meer in de handel.

Wilde narcissen horen thuis in de bergen. In de Pyreneeën en de Alpen fleuren ze in het voorjaar de bergweitjes op. Er bestaan enkele tientallen soorten wilde (botanische) narcissen. Vroeger roofden handelaren ze volop uit de natuur, maar dat is nu verboden.

Al kruisend en selecterend zijn veredelaars voortdurend op zoek naar de ideale narcis. Men wil grotere bloemen met een langer vaasleven en ook geur is weer een veelgevraagde eigenschap. Sommige rassen zijn speciaal geschikt om te worden `voorgetrokken' voor vroege winterbloei of voor de teelt op potten.

Een groot probleem is de schimmelziekte Fusarium. Daarnaast wordt de narcis belaagd door zeker vijftien verschillende virusziekten. Soms lijdt een bol onder een stuk of vier virussen tegelijk. Er bestaan ook `symptoomloze' virussen, die pas opvallen als ze gezelschap krijgen van een ander virus. Van der Veeks collectie is door de wetenschap nog niet systematisch op resistentiebronnen onderzocht. Wel levert de kweker op verzoek materiaal aan onderzoekers.

Jaarlijks maakt Van der Veek zo'n 10.000 kruisingen. Hij klutst het stuifmeel van een reeks veelbelovende narcissen en brengt dat met een ragfijn penseeltje op de stamper van de `moederbloem'. Zo'n zes tot acht weken later is het zaad rijp. In de grond ontwikkelt zich een babybolletje, dat jaar na jaar groter wordt. Vijf jaar na de kruising bloeien de zaailingen voor het eerst. Daarna begint het grote weggooien.

In de eerste ronde blijven een paar honderd zaailingen over. Uiteindelijk worden maar vijf of zes selecties doorverkocht aan commerciële kwekers. Daarna kost het nog minstens tien jaar om van een veelbelovende selectie een commercieel interessante hoeveelheid bollen te krijgen, die vooral ook gezond te telen moet zijn. ,,Want het gebruik van bestrijdingsmiddelen wordt een probleem'', zegt Van der Veek. In de gang van zijn huis hangen de vele prijzen die hij op tentoonstellingen in de wacht heeft gesleept. Schokschouderend: ,,Daar zijn ze altijd nogal scheutig mee.''