`Kunstbeleid moet doorzichtiger'

Waarom kreeg de Dogtroep wèl subsidie in 1993 en het Centrum voor Elektronische Muziek niet? Onderzoekster Aletta Winsemius vroeg het de betrokken politici, maar kreeg geen duidelijk antwoord. Vandaag promoveert ze op een onderzoek naar het Nederlandse kunstbeleid.

,,Je kunt als overheid op verschillende manieren omgaan met kunst. Je kunt de kunst helemaal vrij laten en de markt zijn werk laten doen. Zo'n beleid zou het einde van de Nederlandse kunst kunnen betekenen. Vooral Joop van de Ende, Rien Poortvliet en Corneille zouden overblijven. Als je dat wilt voorkomen, moet je corrigerend optreden. De overheid kan door middel van subsidies zorgen dat experimentele kunst, die maar weinig publiek trekt, blijft bestaan en dat er in Drachten ook iets op cultureel gebied te beleven valt.'

Volgens onderzoekster Aletta Winsemius (Den Haag, 1961) hinkt het Nederlandse kunstbeleid op twee gedachten. Enerzijds moeten de kunsten zoveel mogelijk vrij worden gelaten, anderzijds wordt beleid geformuleerd dat erop gericht is de deelname aan en spreiding van de kunsten te stimuleren. Winsemius onderzocht de afgelopen zeven jaar hoe de Nederlandse overheid omgaat met deze tegenstrijdige principes. Aan de hand van het Kunstenplan 1993-1996 bestudeerde zij de rol die politici, ambtenaren, de Raad voor Cultuur en kunstinstellingen spelen in het Nederlandse kunstbeleid. De titel van het proefschrift waar zij vandaag op promoveert aan de Universiteit Leiden draagt de veelzeggende titel De overheid in spagaat: theorie en praktijk van het Nederlandse kunstbeleid.

Een `bestuurskundige spagaat' doet zich voornamelijk voor wanneer artistieke oordelen en politieke principes uiteen lopen. Winsemius: ,,Een voorbeeld is de reorganisatie van het regionale orkest- en operabestel in het kader van het Kunstenplan 1993-1996. De Raad voor Cultuur zei toen dat het Limburgs Symphonie Orkest artistiek onder de maat presteerde en gekort moest worden in zijn subsidie. De hele regio stond op z'n achterste benen en er werd meteen druk gelobbyd in Den Haag. Kamerleden Beinema en Niessen floten minister d'Ancona terug met een motie uit 1986 in de hand, waarin stond dat er ook buiten de Randstad voldoende culturele voorzieningen moesten zijn. Het artistiek inhoudelijke oordeel van de Raad voor Cultuur werd dus aan de kant geschoven om wille van het politieke principe van regionale spreiding.' Toch hebben de meeste politici de mond vol van de vrijheid van de kunsten. ,,Thorbecke formuleerde al in 1862 het uitgangspunt dat de kunsten vrij moeten zijn van overheidsinmenging en die gedachte vind je nog steeds in de hedendaagse politiek', zegt de promovenda, die bladerend in haar proefschrift zoekt naar citaten. ,,Oud-minister Brinkman zei in 1984: `De vrijheid van de kunst moet gewaarborgd zijn'. Zijn opvolger Nuis herhaalde dat standpunt tien jaar later in zijn nota Pantser of ruggegraat en voegde eraan toe dat het de taak van de overheid is om die vrijheid te garanderen. Als je echter naar de praktijk kijkt, is die vrijheidsgarantie nauwelijks terug te vinden in het beleid.'

Dat heeft volgens de Leidse onderzoekster onder meer te maken de rol van de Raad voor Cultuur. Die heeft namelijk geen beslissende maar een adviserende rol. Winsemius: ,,Vooral Tweede Kamerleden drukken hun stempel op het kunstbeleid door de artistieke oordelen van de Raad voor Cultuur naast zich neer te leggen. Soms gebeurt dat zonder dat de achterliggende redenen daarvoor helemaal duidelijk zijn. Geen van de betrokken politici kon mij bijvoorbeeld vertellen waarom in 1993 de Dogtroep uiteindelijk wel en het Centrum voor Elektronische Muziek niet in aanmerking kwam voor een subsidie, die de Raad voor Cultuur in eerste instantie aan geen van beide wilde toekennen. Dit soort praktijken komt de betrouwbaarheid van de overheid natuurlijk niet ten goede. Ze versterken het idee dat al bij veel kunstenaars heerst dat het allemaal puur vriendjespolitiek is.'

In haar proefschrift doet Winsemius een voorstel om het Nederlandse kunstbeleid doorzichtiger te maken. ,,Ik pleit er niet voor de tegenstelling tussen vrijheid en sturing uit het beleid te halen maar om hem juist zo expliciet mogelijk te maken. Op die manier krijgt het vrijheidsprincipe meer dan alleen een symbolische lading', betoogt zij. ,,Je zou een duidelijk onderscheid moeten maken tussen een `aanbodbeleid' waarin artistieke kwaliteit en vrijheid voorop staan en een `vraagbeleid' waarin rekening wordt gehouden met de wensen van het publiek. In het aanbodbeleid zou de kunstwereld een grote rol moeten spelen en de overheid hoogstens als penningmeester moeten optreden. In het vraagbeleid mag iedereen zich bemoeien met de subsidietoewijzing.'

Het door Winsemius geschetste tweesporenbeleid zou aandacht geven aan zowel weinig commerciële, artistieke vernieuwing als de maatschappelijke aspecten van de kunst. Er zouden volgens de promovenda ook kruisbestuivingen mogelijk zijn: ,,Een via het aanbodbeleid gesubsidieerd gezelschap zou vanuit het vraagbeleid gestimuleerd kunnen worden bijvoorbeeld een educatief programma op te zetten. Die extra subsidie kan dan gezien worden als een bonus, in plaats van de korting die veel gezelschappen nu krijgen wanneer ze zich niet genoeg aantrekken van de vraag van het publiek.'

Die huidige nadruk op marktwerking zit Winsemius dwars. ,,De ruimte die er in de jaren zeventig is gecreëerd voor het experiment, dreigt nu weer te verdwijnen. Ook staatssecretaris Van der Ploeg, die zegt dat de kunst te elitair is en naar de mensen toe moet, neigt die kant op. Maar er zit een grens aan de markt. Publieke belangstelling is niet de enige graadmeter die er toe doet.'

Aletta Winsemius: De overheid in spagaat:theorie en praktijk in het Nederlandse kunstbeleid. Uitg. Thela-Thesis (ISBN 90-5170-481-x)