Het is een lust om te leven

Uit solidariteit met de havenarbeiders besloot eind januari 1903 het Amsterdamse spoorwegpersoneel het werk neer te leggen. Slechte arbeidsomstandigheden, zowel in de haven als bij het spoor en de strijd om de erkenning van vakorganisaties vormden het decor tegen de achtergrond waarvan de eerste algemene werkstaking om zich heen greep. In De Vrije Socialist van 4 februari 1903 stak F. Domela Nieuwenhuis zijn vreugde over zoveel revolutionair elan niet onder stoelen of banken.

Wat voor enkele dagen nog een onmogelijkheid zou geacht zijn, is mogelijk, ja werkelijk geworden. Een algemeene werkstaking onder het spoorwegpersoneel te Amsterdam en misschien over heel Nederland! En dan welk een werkstaking!

Niet om verbetering in eigen toestand, niet om eigen grieven, ofschoon die in grooten getale bestaan, maar enkel en alleen uit solidariteit met de havenarbeiders.

Kan het schooner, kan het edeler?

Inderdaad dat ééne bericht weegt op tegen honderden teleurstellingen, dat ééne bericht doet den polsslag des levens sneller kloppen.

O wat een leering is hieruit te trekken voor de arbeiders! Hier wordt hun aanschouwelijk onderwijs gegeven door de feiten en het is te hopen dat zij er hun voordeel mede doen. Hier kunnen de arbeiders leeren inzien, hoe zij eigenlijk de machthebbenden zijn, als ze maar willen, eendrachtig willen. O hoe heerlijk worden de woorden van den dichter bevestigd, die wij zoo dikwijls aanhaalden:

Gansch het raderwerk staat stil,

Als uw krachtige arm het wil.

De heeren weten het wel, maar de arbeiders moeten het inzien en het hun tot bewustzijn brengen dat is onze taak.

De Nieuwe Courant liet zich de uitdrukking ontvallen: ,,Wat een algemeene of zelfs uitgebreide werkstaking onder 't spoorwegpersoneel der beide maatschappijen, eerst van rangeerders, laad- en transportpersoneel, dan van machinisten en stokers, straks bij het goederen- en wellicht personenvervoer, zou beteekenen, behoeven wij waarlijk niet uiteen te zetten.'

Juist, men ziet in hoe'n machtig middel de algemeene werkstaking in handen der arbeiders is.

Reeds eenigen tijd propageeren de anarchisten het denkbeeld der Algemeene werkstaking. Van verschillende kanten, ook van sociaaldemokratische zijde, riep men hun toe: utopie, anarchistische onzin. Binnen enkele dagen heeft deze onzin zulk een verbazenden omvang aangenomen, dat reeds nu deze staking de bourgeoisie deed sidderen.

En eigenaardig hoe zoo'n denkbeeld meesleept.

Nog niet lang geleden klonk het uit den mond van den ouden Liebknecht, dat de tijd der werkstakingen voorbij was, dat werkstakingen een verouderd middel waren. Wij lachten er om, want elken dag bracht de pers berichten van stakingen, hier en daar en overal, en wij dachten: nu, die is ook goed op de hoogte, de oude suft een beetje. Maar jawel, wat in Duitschland gezegd wordt, dat praat de partij in alle landen na en zoo ging het ook hier. De sociaaldemokraten zien de werkstakingen met leede oogen aan. Nog onlangs schreef Het Volk, dat het staak-maar-raak-stelsel moet tegengegaan worden. En wat ziet men nu? Dat Het Volk vol sympathie (!) is voor de werkstakingen, praat van den leeuw, die zijn klauwen toont, het kloeke, beleidvolle, indrukwekkende optreden dezer mannen een heerlijk en bemoedigend feit noemt.

Ze moeten wel mee, of ze willen of niet, ze worden meegesleept, willen zij niet het beetje invloed dat zij op de arbeiders hebben, heelemaal verliezen, de beweging is hun over het hoofd heengegroeid en zij juichen de algemeene werkstaking toe, daareven nog anarchistischen onzin door hen geheeten.

O, die grappenmakers, zij meenen te schuiven en zij worden geschoven.

Het is het anarchisme, dat den weg wijst, de sociaaldemokratie staat al in de achterhoede.

Barcelona en Amsterdam, twee steden die min of meer anarchistisch gezind zijn, zijn de steden in de wereld waar de beweging het levendigst is.

Het denkbeeld der Algemeene Werkstaking heeft in de afgeloopen week zoo'n geduchten stoot gekregen, dat het zich verder wel zijn weg zal banen in de arbeidersbeweging.

O anarchistische onzin, hoe zijt gij het, die de hoop der arbeiders zijt!

Dit is nog maar een voorpostengevecht, wij weten het zeer goed, maar de arbeiders leeren het wapen der werkstaking hanteeren en dit zal hun in de toekomst ten goede komen. Straks als ook de militairen staken en wacht maar, zulke dingen zullen we ook nog beleven, dan is het gedaan met de macht der bourgeoisie, die niet schuilt in de rede, maar in het geweld, het ruwe geweld.

De arbeiders hebben de vrijheid om te staken. Zelfs de Nieuwe Courant stemt dit toe. Hoe lief!

Maar daar tegenover staat dat de overheid ten krachtigste moet beschermen de vrijheid om te arbeiden.

Is die tegenstelling zuiver?

In geenen deele. Waarom staken de arbeiders? Omdat zij belemmerd worden in hun vrijheid om te arbeiden volgens de voorwaarden die zij verlangen.

De onderkruiperij wordt overal verhinderd behalve bij de arbeiders in den eigenlijken zin van het woord. En als de arbeiders datzelfde beginsel, wat elders wordt toegepast, willen doorvoeren in hun kringen, dan komt n.b. de overheid om hun in naam van de vrijheid om te arbeiden toe te roepen dat ze dit niet mogen. Wil men het stelsel van vrije konkurrentie goed, maar men voere het ook in andere kringen der maatschappij door.

Wij hebben een koningin. Haar is volgens de grondwet behalve de opbrengst der domeinen en andere voorrechten, een traktement toegekend van 600.000 gulden. Gesteld nu dat een andere vorst zegt: ik zal dat baantje wel eens opknappen tegen 800,000 gulden per jaar. Denkt gij dat hij aangenomen wordt? Geen denken aan, want het minimum-loon is bepaald op 6 ton.

Wij hebben ministers, die een traktement hebben van 12.000 gulden. Gesteld dat er knappe menschen zijn – en zoudt ge meenen dat die er niet waren? – die de betrekking willen vervullen tegen 6000 gulden. Meent ge dat ze aangenomen werden? Het heeft er niets van. Het minimum-loon is bepaald op 12.000 gulden per jaar en men houdt zich door die bepaling alle onderkruipers van `t lijf.

Wij hebben hoogleeraren, leeraren aan burgerscholen, onderwijzers der lagere scholen, wij hebben rechterlijke en burgerlijke ambtenaren, wij hebben ingenieurs en officieren, allemaal tegen vastgestelde traktementen, waar men niet beneden mag gaan en of daar nu personen opstaan, die beschikken over alle mogelijke bekwaamheid en die de betrekking willen waarnemen voor minder loon, zij komen niet in aanmerking, zij worden kort en goed afgewezen, want al die personen zijn gevrijwaard voor onderkruiperij door de vaststelling van een minimumloon. Stelt eens voor aan al die heeren, om de vrije konkurrentie hier toe te passen, gij zoudt eens hooren welk een geschreeuw zij zouden aanheffen.

Maar waar het den arbeiders aangaat, daar acht men het beginsel van konkurrentie zeer natuurlijk en gezond en als deze zichzelven willen vrijwaren tegen loonbedervers, tegen onderkruipers, dan worden zij door de personen, die zichzelven tegen zulke lui beschermd hebben door de vaststelling van minimum-loonen, met een beroep op de vrijheid van den arbeid lastig gevallen.

Is dat nu billijk? Is dat nu rationeel?

Welnu, wij roepen dien heeren toe: blijft ons met uw praatjes van het lijf, gij die u meester hebt gemaakt van de arbeidsmiddelen, gij hebt allerminst het recht u te beroepen op de vrijheid van den arbeid.

Neen, met zulke sofismen laten we ons niet van de baan dringen.

Maar het gevaar dreigt dat men de arbeiders onderling verdeelt en daartegen moet gewaakt worden. De arbeidersbeweging is te heilig, dan dat zij misbruikt mag worden door demagogen, om er politieke munt uit te slaan. Zeker, we zullen het weer beleven dat men interpellaties in kamer en gemeenteraad houdt, om door redevoeringen te toonen hoezeer men belangstelt in de arbeiderszaak, maar de arbeiders moeten zich niet door mooie redevoeringen en klinkende frases laten beetnemen, zij moeten hun toeroepen: en gij, sociaaldemokraten, wat zoudt gij doen wanneer gij ministers waart? Kijk maar eens op uw Millerand, die rustig toeliet dat er op de stakers geschoten werd, want het gezag moet gehandhaafd worden.

Wij weten te goed dat de werkstakingen een doorn zijn in de oogen der parlementairen. Zelfs zien we hun voor niet te goedaan om ze te doen mislukken, om dan zegevierend te roepen: ziet ge wel, arbeiders, dat u niets anders overblijft dan u te werpen in de armen der politiek, die u verlossing kan brengen?

Arbeiders, luistert niet naar hen, die uw zaken voor u willen opknappen, maar doet uw eigen zaken zelven.

Geestig was het dat enkele heeren der Eerste Kamer niet op tijd in den Haag konden zijn om de zitting bij te wonen. Verbeeldt u dat de heeren vertegenwoordigers van de Eerste en Tweede Kamer klaar stonden naar de Kamer te gaan en dat de arbeiders hun toeriepen: heeren, als wij, arbeiders, u niet vervoeren, dan kunt gij niet eens de vergaderingen van uw kletskollegie bijwonen, gij zijt dus geheel afhankelijk van ons.

Arbeiders, leert dus hieruit hoe gij een macht, ja de macht zijt in de maatschappij en het dus van u afhangt, of het raderwerk der maatschappij al dan niet stilstaat. Leert tevens, hoe gij in staat zijt door uw optreden zelfs diegenen mede te slepen, die niet dan tegen wil en dank meegaan en voor wie gij moet oppassen opdat zij niet de beweging doen in `t niet verloopen.

De geesten worden wakker! Het is een lust om te leven.'

Zietdaar het woord dat Ulrich von Hutten sprak tijdens de hervorming, maar dat eveneens toepasselijk is op dezen onzen tijd.

En zoo is het inderdaad!

Zoo dikwijls is ons toegevoegd: och, wat geeft al uw werken? Het is toch aan doovemans ooren geklopt. Vraagt het eens aan de bourgeoisie of zij dit ook vindt!

Neen, niet tevergeefs is nu 25 jaar lang gezaaid. Het zou dwaas zijn geweest te verwachten dat men dadelijk het opschieten van het zaad zou zien. Het ging ons als elken zaaier. Een deel viel bij den weg om verstrooid te worden door den wind of opgepikt door de vogelen. Een ander deel viel op steenachtigen grond, waar het geen wortel kon schieten. Weer een ander deel viel in de doornen, waar het verstikte. Maar een deel viel in goede aarde en schoot op en droeg vrucht, sommig tien-, sommig twintig- en sommig honderdvoudig. En als men het ziet opschieten, al is het tweevoudig, dat geeft moed, want wij moeten het zoover brengen, dat het honderdvoudig opbrengt, d.w.z. dat het produkt van den arbeid komt aan de arbeiders, aan de maatschappij.

Dit is de tweede aflevering van een serie waarin uit alle decennia van deze eeuw een voor dat decennium bepalend artikel wordt gepubliceerd.