Het Bureau (2)

Bijna vier weken geleden schreef ik Het Bureau (1), aan de vooravond van de interviewmiddag met J.J. Voskuil in de Nijmeegse schouwburg. Ik beloofde verslag te zullen uitbrengen van die middag, maar door ziekte kwam het er niet van. Ik was overigens wel aanwezig op die geslaagde bijeenkomst en zal nu alsnog uit mijn aantekeningen putten, omdat er een gerede aanleiding is: Voskuil wordt zondagmiddag op soortgelijke wijze live geïnterviewd door Hanneke Groenteman in haar tv-programma De Plantage.

Ik raad u aan te kijken, want Voskuil is een voortreffelijke prater die bereid is over elk aspect van zijn boeken diepgaand te discussiëren. Hij deed dat in Nijmegen met efficiënte ironie, spontane uitweidingen en een enkel vilein uithaaltje naar zijn ondervragers: ,,Die vraag kan alleen een wetenschapper bedenken.''

Wát een sociaal vaardige man, dacht ik daar, alsof het niet om de schrijver van Bij nader inzien, Het Bureau en nu De moeder van Nicolien ging, maar om die van Turks fruit.

De tv-kijkers mochten voor zondag vragen opsturen, en ik durf er heel wat onder te verwedden dat we de hoofdvragen van `Nijmegen' zullen terughoren. Hier komen ze. (Voskuil krijgt de vragen, evenals in Nijmegen, vooraf ter inzage).

Heeft u iets in uw boeken verzonnen? (Antwoord: nee, ik heb alleen de chronologie van de gebeurtenissen wat veranderd.) Waarom bent u niet bij Het Bureau weggegaan als u zo'n hekel aan uw werk had? (Antwoord: uit loyaliteit aan mijn collega's.) Doet u uw vrouw geen onrecht door haar zo onbarmhartig scherp te portretteren? (Antwoord: Nicolien komt er alleen in voor als ze zich met Het Bureau bemoeit. Dat is het enige wat we van haar zien. Als het de bedoeling was geweest een beeld van mijn huwelijk te geven, had ik het wel Het huwelijk genoemd.)

Opvallend vond ik de grote zelfverzekerdheid waarmee Voskuil over zijn werk praat. Hij moet er – en wat mij betreft terecht – sterk van overtuigd zijn dat zijn boeken een universele zeggingskracht hebben, want hij constateert vaak dat `veel mensen' zich zullen herkennen in zijn beschrijvingen. ,,Het Bureau geeft het leven weer, zoals bijna iedereen het ervaart'', zei hij letterlijk.

De schrijver Voskuil laat zich niet op zelfkritiek betrappen. Daarom moet mij toch weer even van het hart dat de delen vier en vijf mij teleurstelden. Inmiddels besef ik ook waarom: Beerta, het kloppende hart van de eerste drie delen, doet na een beroerte nauwelijks meer mee. De werkelijkheid heeft de schrijver van zijn belangrijkste personage (afgezien van Koning) beroofd. Dat komt ervan als je niets wilt verzinnen.

    • Frits Abrahams