Ericson brengt Poulenc subtiel en subliem

Als herkenbaarheid een criterium is voor de kwaliteit van een muzikaal oeuvre, verdient Francis Poulenc een hoge plaats in het componisten-klassement. Zijn Stabat Mater lijkt in melodische frasen en manier van tekstplaatsing zoveel op zijn Gloria dat nietsvermoedende oren ervan in verwarring zouden raken; dit Gloria grijpt weer hoorbaar terug op het Gloria uit de Mis in G-groot.

De aandacht voor sterf- en geboortejaren van componisten is soms wel een erg obligate programmatische kapstok, maar heeft het voordeel dat dergelijke parallellen in een oeuvre eveneens in de schijnwerper worden geplaatst. Afgelopen januari was het precies een eeuw geleden dat Poulenc werd geboren. Felix de Nobel, oprichter en eerste dirigent van het Nederlands Kamerkoor, onderhield persoonlijk contact met de componist, en in de traditie van Poulenc-uitvoeringen die het Nederlands Kamerkoor heeft, past ook het progamma met diens religieuze werken voor koor a capella dat het koor vorig jaar op cd vastlegde (Globe, 5185), en waarin het deze week wederom onder leiding van Eric Ericson te beluisteren is.

Ericson (81) geldt als een kopstuk onder de koordirigenten en bewees gisteravond in het Haarlemse Concertgebouw dat die reputatie nog steeds geldig is, en niet slechts uit respect voor zijn staat van dienst in het verleden dient te worden vermeld. Zowel de Mis in G-groot als de intiemere motetten rond de thema's Pasen en Kerst werden met sublieme helderheid uitgevoerd. Daardoor weerklonk in de subtiel verschuivende, sterk verticaal gedachte muzikale ontwikkeling loepzuiver hoe raak Poulenc in zijn geestelijke composities de sfeer van de tekst wist te treffen.

Zondagmiddag besteedden het Groot Omroepkoor en het Radio Symfonie Orkest onder leiding van de Engelse dirigent Nicholas Cleobury aandacht aan een tweetal grootschaliger koorwerken van Poulenc, te weten het Stabat Mater en het Gloria. Cleobury koos voor een detailrijke aanpak en benaderde zowel de robuuste als luchtige, beweeglijke passages op eigen merites. Hij zette het Radio Symfonie Orkest aan tot elastisch en geconcentreerd spel, waardoor moeiteloos werd gelaveerd tussen Poulencs oprechte exaltatie en de daarmee sterk contrasterende, brullend bombastische slotkadensen. De solistische bijdrage van sopraan Irene Maessen was verzorgd in de dictie en de dynamiek, maar klonk in de melodisch zeer verwante solostukken van beide werken enigszins ijl, waardoor de gewenste warmbloedigheid ontbrak.

Poulencs soms vervreemdende dubbelzieligheid kon nauwelijks beter worden geïllustreerd dan in deze beide concerten het geval was. Dat het serieuze aspect van Poulencs muziek, zoals dat in de a capella werken domineert, op den duur meer boeit dan de `kwajongensstreken' die in de werken voor koor en orkest de verinnerlijking doorbreken, is waarschijnlijk een conclusie waar de componist zelf hartelijk om zou hebben gelachen. Bij Poulenc zijn lichtzinnigheid en religiositeit magnetische polen.

Concert: Vocale werken van Francis Poulenc. Radio Symfonie Orkest/Groot Omroep Koor o.l.v. Nicholas Cleobury. Gehoord: 21/2 Muziekcentrum Vredenburg, Utrecht. Radio 4: 25/2, 20.02 uur; Nederlands Kamerkoor o.l.v. Eric Ericson. Gehoord: 24/2 Concertgebouw, Haarlem. Herh: 25/2 Laurenskerk, Rotterdam; 26/2 Beurs van Berlage, Amsterdam; 28/2 Antoniuskerk, Breda.

    • Mischa Spel