Deflatiespook

Twee decennia geleden verloor de gulden in één jaar tijd tien procent van zijn waarde. Niet alleen in ons land, maar vrijwel overal in de geïndustrialiseerde wereld werd de waarde van de nationale munt door oplaaiende inflatie uitgehold. De centrale banken gooiden brandstof op het vuur door te accepteren dat de hoeveelheid geld in omloop fors toenam. Aan het eind van de jaren zeventig ging het roer in de Verenigde Staten echter om. De Federal Reserve draaide de geldkraan dicht door de rente voor kortlopende leningen op te schroeven. Dit maakte het voor de banken duurder om hun klanten krediet te geven. Als gevolg van de hogere rente leenden ondernemers minder voor de financiering van bedrijfsinvesteringen en stelden consumenten een deel van hun aankopen uit.

Na twintig jaar lijkt de strijd tegen de inflatie definitief gewonnen. Het afgelopen jaar zijn de prijzen in zulke uiteenlopende landen als China, Zweden en Zwitserland zelfs wat gedaald. In Frankrijk en Duitsland is de inflatie verminderd tot minder dan een half procent. Het gezaghebbende engelse weekblad The Economist wijdde het vorig weekend zijn omslagartikel aan een nieuw gevaar dat op de loer ligt: deflatie, wat betekent dat het geld elke maand méér waard wordt. Het leven wordt dus steeds goedkoper.

Vooralsnog gaat een algemene en langdurige daling van het prijsniveau het voorstellingsvermogen van veel ondernemers en zeker dat van de consumenten te boven. Sinds de Grote Crisis uit de jaren dertig heeft iedereen alleen maar met stijgende prijzen te maken gehad. Economen en bankiers zijn ook maar mensen. Ook zij hebben moeite te wennen aan de gedachte dat de consumentenprijzen over een breed front en in een groot aantal landen naar beneden zouden kunnen gaan.

Normaal gesproken stimuleren dalende prijzen de vraag naar goederen en diensten (denk maar aan de uitverkoop). De aantrekkende bestedingen leiden dan al spoedig tot weer wat oplopende prijzen. Maar met name Japan lijkt al in de wurggreep van deflatie te zijn, nu consumenten hun geld vasthouden, ondernemingen proberen vóór alles hun schuldenlast te verminderen en de banken niet scheutig zijn met krediet, omdat zij wanhopig proberen hun ruïneuze balansverhoudingen een beter aanzien te geven.

Achterblijvende bestedingen gecombineerd met omvangrijke investeringen in het recente verleden hebben geresulteerd in een lage bezettingsgraad van machines en fabrieken. De in de wereld aanwezige overcapaciteit zet de prijzen overal onder druk. Onder deze omstandigheden is het alles behalve ondenkbaar dat de trend van dalende prijzen vanuit Azië overslaat naar Europa en de Verenigde Staten. Dat is heel slecht nieuws voor mensen die zich zojuist diep in de schulden hebben gestoken voor de aankoop van een eigen huis, en voor ondernemers die geld hebben geleend om andere bedrijven over te nemen.

In tijden van inflatie is het aantrekkelijk om geld te lenen. In de toekomst kan de aangegane schuld worden afgelost met guldens die een stuk minder waard zijn geworden. Iedereen die destijds voor het eerst met geleend geld een eigen huis kocht, heeft daarvan flink geprofiteerd. Bij deflatie zijn de rollen evenwel omgedraaid: de schuldeisers worden slapend rijk, omdat hun uitgeleende guldens steeds meer waard worden. Debiteuren moeten krom liggen. Daarom zullen bedrijven en gezinnen die financiële verplichtingen aangaan de duur van de onderliggende overeenkomst willen beperken, of daarin een 'deflatieclausule' laten opnemen. Naarmate het geld verder in waarde stijgt, zal de afgesproken prijs of aanneemsom dan periodiek worden verlaagd. Maar mensen met een al lopende hypotheeklening kunnen hun contract niet openbreken om daarin alsnog een deflatieclausule op te nemen. Zij zijn de belangrijkste verliezers in een situatie van onvoorziene deflatie.

Ook het overleg over de arbeidsvoorwaarden krijgt een heel andere inzet. De vakbeweging zal proberen de looptijd van de cao's zoveel mogelijk te rekken. Als gevolg van de algemene prijsdaling neemt de koopkracht van in guldens gelijkblijvende lonen immers geruisloos toe. Invoering van een `automatische deflatiecorrectie' zal op groot verzet van de achterban stuiten. Omdat de omzet onder invloed van de lagere prijzen daalt, komen de winsten - ook bij onveranderde loonkosten - onder druk te staan. Dit maakt beleggen in aandelen minder aantrekkelijk. Beleggers zullen vluchten uit aandelen (en goederen) en hun geld contant maken. Dit hoeft niet op de bank te worden gezet. Financiële instellingen kunnen per slot van rekening failliet gaan. Wie zijn geld in de spreekwoordelijke oude sok bewaard geniet desondanks een reële opbrengst, doordat het maandelijks in waarde toeneemt. Gaat iedereen thuis cash potten, dan vloeit spaargeld niet langer terug in de economie. Dit zet de bestedingen, de prijzen en de werkgelegenheid verder onder druk.

Zo ontstaat een vicieuze spiraal, die alleen kan worden doorbroken wanneer de centrale banken de geldkraan wijd opendraaien. Zij kunnen hiertoe de korte rente verlagen, wat het voor producenten en consumenten goedkoper maakt te lenen voor extra bestedingen. Maar het rentewapen bij de deflatiebestrijding kent beperkingen. De korte rente in Japan staat al op een half procent en kan niet negatief worden. Wanneer mensen banken moeten betalen om hun geld te beheren potten ze hun duiten liever zelf op. Bovendien moeten mensen ook willen lenen. Zo niet, omdat ze plotseling pessimistisch zijn over de toekomst, dan wordt deflatie een verwachting die zichzelf bewaarheidt.