Chirac en Jospin

De Fransen zijn gek op opiniepeilingen, vooral als ze over de politiek gaan, want dan hebben ze vaak het karakter van een populariteitstest. Zo bleek bij een recente peiling dat de populariteit van premier Jospin omlaag gaat, terwijl die van president Chirac juist weer wat is gestegen. Tussen de linkse premier en de rechtse president bestaat een duidelijke politieke rivaliteit en dat leidt soms tot een ietwat gecompliceerde situatie.

De Fransen zijn natuurlijk niet de enigen die een president als staatshoofd en een premier als hoofd van de regering hebben. Integendeel, dat is een veel voorkomende situatie. Maar Frankrijk is wel het enige land waar de politieke macht door president en premier gedeeld wordt, terwijl ook nog onduidelijk is welk deel daarvan aan wie toekomt. Bovendien kunnen president en premier ook nog van verschillende politieke richtingen zijn, zoals thans het geval is. Deze situatie, die de cohabitation wordt genoemd, heeft zich al eerder voorgedaan, namelijk onder president Mitterrand, toen Chirac enige tijd premier was. Uit opiniepeilingen (alweer!) blijkt overigens dat de Fransen best tevreden zijn met deze vorm van machtsdeling.

De thans bestaande situatie is gebaseerd op de grondwet van de Vijfde Republiek, die in 1958 werd aangenomen. Vroeger deed deze mogelijkheid zich niet voor. Onder de vorige stelsels lag de uitvoerende macht bij de premier, die toen overigens Président du Conseil, voorzitter van de ministerraad, heette, met als aanspreektitel Monsieur le Président. Aangezien je in Frankrijk, eenmaal minister geweest zijnde, altijd Monsieur le Ministre en, eenmaal premier geweest zijnde, altijd Monsieur le Président blijft en aangezien de kabinetten in die jaren aan de lopende band kwamen en gingen, liepen er in Frankrijk heel wat mensen rond die Monsieur le Président werden genoemd. Een verwarrende situatie!

Uit dit voortdurend wisselen van de kabinetten blijkt overigens al dat de uitspraak dat de politieke macht bij de premier lag, niet helemaal juist is. De macht lag in feite bij het parlement. De regering was niet meer dan een dagelijks bestuur, dat door de ledenvergadering op ieder moment naar huis kon worden gestuurd. Zo was de praktijk onder de Vierde Republiek, zoals het regeringsstelsel heet dat in Frankrijk vanaf de Tweede Wereldoorlog tot de komst van generaal De Gaulle in 1958 heeft bestaan, en zo ging het ook al onder haar voorganger, de Derde Republiek.

De Gaulle zou de geschiedenis ingaan als de eerste president van de Vijfde Republiek, maar toen hij in 1958 aan de macht kwam, werd hij geen president van de Vijfde, maar minister-president van de Vierde Republiek. De Gaulle was echter geen gewone premier, want hij had dat ambt alleen maar aanvaard om een einde te maken aan het in zijn ogen machteloze stelsel van de Vierde Republiek. Dat gebeurde dan ook. De nieuwe staatsvorm die hij in 1958 introduceerde en die nu nog steeds bestaat, die van de Vijfde Republiek dus, kent een sterke rol toe aan de president. De ministerraad wordt voorgezeten door de president en niet meer door de premier, die dan ook geen Président du Conseil meer heet maar Premier-Ministre. Het ambt van premier bleef echter wel bestaan en een echt presidentieel regime, zoals in Amerika, kreeg Frankrijk derhalve niet. Het Franse presidentschap ging wel iets meer op het Amerikaanse lijken, toen in 1962 werd ingevoerd dat de president voortaan rechtstreeks door het volk zou worden gekozen. Sindsdien heeft de president immers een duidelijk mandaat van de kiezers en beschikt hij ook over een daarop gebaseerde legitimiteit en autoriteit. Het presidentschap is sindsdien onbetwist de belangrijkste politieke functie in het land. Dat blijkt wel uit het feit dat iedereen zich de namen van de presidenten van de Vijfde Republiek zal herinneren (De Gaulle, Pompidou, Giscard d'Estaing, Mitterrand en Chirac) maar men heel wat moeite moet doen om zich die van de premiers voor de geest te halen.

De grondwet van de Vijfde Republiek bestaat nu al meer dan veertig jaar en lijkt dus goed te werken. Toch bestaat er, zoals gezegd, een fundamentele onduidelijkheid over de vraag hoe het nu precies zit met de machtsverdeling tussen president en premier. In de tijd dat de president en de regering van dezelfde politieke kleur waren, zoals bijna dertig jaar het geval was, is dit geen probleem. De president heeft de politieke leiding en staat duidelijk boven de premier. Maar in tijden van cohabitation, zoals nu, leidt dit nogal eens tot problemen.

In de praktijk is het zo dat de president de leiding heeft over de buitenlandse politiek en de defensie. Dat waren ook de zaken die De Gaulle bij uitstek interesseerden. Om die reden noemt men dit wel het domaine réservé van het Elysée. Maar bestaat er, constitutioneel gezien, eigenlijk wel zo'n speciaal `domein'? Dat is de vraag die S. Rozemond in het laatste nummer van de Internationale Spectator (februari 1999) aan de orde stelt en ontkennend beantwoordt. Zijn conclusie is dat ,,het domein van de president meer politiek dan juridisch wordt bepaald''. Het is geen kwestie van constitutie, maar van macht. ,,Het bezwaar van de Franse grondwet'', zo vervolgt hij, ,,is dat deze De Gaulle op het lijf was geschreven, maar in andere tijden geen uitkomst biedt.''

Rozemonds analyse is juist en zijn conclusie dat er constitutioneel gesproken geen eigen presidentieel domein bestaat, is correct. Dat dit probleem voortkomt uit het feit dat deze grondwet op het lijf van De Gaulle is geschreven, lijkt mij echter niet helemaal juist. Natuurlijk, De Gaulle wilde een ander stelsel, maar niet zozeer voor zich zelf, als wel voor zijn opvolgers. De Gaulle zelf had onder ieder stelsel kunnen functioneren. Zijn gezag was gebaseerd op het vertrouwen dat hij genoot bij het Franse volk en dat bij verkiezingen en referenda geregeld tot uiting kwam. Wat er precies in de grondwet stond, deed er niet zoveel toe.

Rozemond heeft ook gelijk als hij opmerkt dat de Franse grondwet in situaties als de huidige geen mogelijkheid biedt om precies te bepalen waar de macht van de een begint en die van de ander eindigt. Maar is dat ook in de praktijk een groot bezwaar? Dat is niet evident. Het huidige stelsel bestaat inmiddels al meer dan veertig jaar en dat is lang voor Frankrijk (de Eerste Republiek duurde twaalf jaar, de Tweede vier en de Vierde dertien jaar). Alleen de Derde Republiek (1870-1940) heeft langer bestaan. Van haar werd wel gezegd dat zij de staatsvorm was die ,,de Fransen het minst verdeelde'' en dat was kennelijk het geval, want anders had zij niet zo lang bestaan en zelfs de grootste oorlog uit de Franse geschiedenis, die van 1914-'18, overleefd. Het lijkt erop dat deze uitspraak thans van toepassing is op het huidige stelsel. De Fransen zijn tevreden met wat zij hebben. De instellingen van de Vijfde Republiek staan niet meer ter discussie. Dit nu is precies wat De Gaulle beoogde.