Alleen consensus kan ons redden

Vandaag is in Bonn het tweede ronde- tafelgesprek voor een `Bündnis für Arbeit'. In het openbaar is tot nu toe weinig sprake van een alliantie: werknemers- en werkgeversverte- genwoordigers doen bepaald onvrien- delijk tegen elkaar. Uitzondering op die regel is de vakbonds- leider Hubertus Schmoldt. Het Nederlandse voor- beeld spreekt hem zeer aan.

Van staken houdt hij helemaal niet. Over inleveren van salaris valt te praten. En toen de Duitse vakbondsleider Klaus Zwickel en de huidige minister van Financiën Oskar Lafontaine het `einde van de bescheidenheid' in de loonpolitiek afkondigden, liepen de rillingen over zijn rug. Dat was nu net het verkeerde signaal voor Duitsland.

Hubertus Schmoldt (54) is de tegenpool van het Duitse cliché van de harde, dogmatische vakbondsleider – de klassieke `nee-zegger' die de klassenstrijd nog altijd hoog in het rode vaandel heeft staan. Schmoldt is bedachtzaam en verzoenend, te verzoenend menen sommige van zijn collega's. Met zijn pragmatische politiek heeft hij naam gemaakt als hervormer, een duif temidden van vele vakbondshaviken. Het `lawaai' in een CAO-conflict zegt nog niets over het resultaat, pleegt hij te zeggen.

Hubertus Schmoldt is de Wim Kok van de Duitse vakbeweging. Voor Schmoldt is een ondernemer geen klassenvijand, maar een sociale partner. En net als Wim Kok wil Schmoldt in Duitsland een bondgenootschap met de werkgevers zien te bereiken dat nieuwe banen oplevert. Een `Alliantie voor Werk' naar Nederlands voorbeeld.

Schmoldt is dus een van de drijvende krachten achter de rondetafelgesprekken voor een Bündnis für Arbeit, die onder leiding van bondskanselier Gerhard Schröder vandaag op de kanselarij in Bonn zijn hervat. ,,De Nederlanders hebben laten zien hoe succesvol zo'n alliantie kan zijn'', zegt Schmoldt, die als voorzitter van de invloedrijke vakbond IG Mijnbouw, Chemie en Energie, aan de gesprekken deelneemt.

Nederland is het grote voorbeeld, voor Schröder en voor Schmoldt. Het kleine land aan de zee is het gelukt het sociale stelsel te hervormen, de overheidsfinanciën te saneren, investeerders aan te trekken èn volop banen te creëren, terwijl het `sociale gezicht' behouden bleef. Het Nederlandse model – waarbij de bonden en werkgevers in het Akkoord van Wassenaar (1982) loonmatiging in ruil voor banengaranties afspraken en de staat de hoge belasting- en premiedruk reduceerde – moest (misschien in iets andere vorm) toch ook in Duitsland mogelijk zijn.

,,Waarom zouden we hier een dergelijke politiek ook niet kunnen coördineren om samen onze doelen te bereiken? We hebben in Duitsland geen alternatief en de tijd dringt'', zegt Schmoldt in het kantoor van IG Mijnbouw, Chemie en Energie in Hannover aan de vooravond van het overleg bij de kanselier.

`Zeven miljoen werklozen verlangen werk en brood!', luidt de kop boven een van de vele oude krantenartikelen over het Berlijn in 1930, die op enkele zuilen in de vakbondshal zijn geplakt . Waarschuwingen uit vroegere tijden. `Adolf zal jullie snel regeren', dreigde de toenmalige vakbeweging.

Sinds de oorlog is de werkloosheid in Duitsland niet meer zo hoog geweest. Officieel bedraagt het aantal werklozen 4,4 miljoen, officieus zoeken 6 miljoen mensen werk. Kanselier Schröder ziet bestrijding van de werkloosheid dan ook als de belangrijkste taak van zijn rood-groene regering. Daarop wil hij worden afgerekend.

Zijn belangrijkste instrument om meer economische groei en werkgelegenheid te bereiken is de `Alliantie voor Werk'. Schröder hoopt tijdens deze gesprekken, die gedurende de hele regeringsperiode zullen lopen, tot afspraken te komen om Duitsland economisch en sociaal fit te maken voor de toekomst. Allerlei heikele thema's moeten erin aan de orde komen: belastingverlaging, loonpolitiek en reorganisatie van het kostbare sociale verzekeringsstelsel. Zelfs zou de `Alliantie voor Werk' aan een Europees banenpact kunnen worden gekoppeld.

Geen taboes luidt het motto van de kanselier èn van Schmoldt. Maar juist dat is inzet van een hevig debat tussen de deelnemers aan Schröders ronde tafel. Want Duitsland is Nederland niet. Was het in Nederland jarenlang gebruikelijk dat de overheid een zekere rol speelde in het `tripartiete overleg' over arbeidsvoorwaarden, in Duitsland geldt sinds de Tweede Wereldoorlog Tarifautonomie. Terugkeer naar de economische politiek ten tijde van het nationaal-socialisme, waarbij de lonen door de staat werden gedicteerd, moet koste wat kost worden voorkomen. Dus houdt de staat zich verre van het CAO-overleg.

Tot anderhalve week geleden. De metaalbond dreigde met een ouderwetse landelijke staking toen de werkgevers niet op de looneis van 6,5 procent wilden ingaan. De werkgevers lieten daarop hun spierballen zien en waarschuwden niet aan Schröders tweede gespreksronde (de eerste was in december) te zullen deelnemen. Dan kon de kanselier het vergeten met zijn gekoesterde `Alliantie voor Werk' nog voordat de gesprekken goed en wel op gang waren gekomen. `Meer Schröder, minder Lafontaine' is de boodschap van het bedrijfsleven aan de regering in Bonn.

,,Ik ben al heel blij dat het niet tot een staking is gekomen in dit lastige conflict'', zegt Schmoldt. Het was koorddansen voor kanselier Schröder, die vorige week een verzoenende missie naar Daimler-Chrysler topman Jürgen Schrempp ondernam en de strijdlustige vakbondsleider Klaus Zwickel een bemiddelaar liet kiezen om tot een oplossing te komen. Met succes. Een staking werd afgewend en bemiddelaar Hans-Jochen Vogel, oud SPD-voorzitter, kreeg van de kanselier persoonlijk een bedankbrief met een fles exquise rode wijn. Tenslotte had Vogel Schröders gespreksronde gered. Maar ten koste van wat?

De meeste werkgevers zijn negatief over het resultaat van 4,2 procent loonsverhoging, dat uit de bus is gekomen. Hans-Olaf Henkel, voorzitter van de werkgevers in de industrie die in strijdlust niet voor Zwickel onderdoet, liet vanuit Brazilië weten dat ,,wij ons niet langer medeplichtig willen maken aan de afbouw van banen''. Er sprak veel voor de gespreksronde te verlaten, vond Henkel, en dan zou het het Bündnis für Arbeit voor de tweede keer zijn mislukt, net als drie jaar geleden toen de vorige kanselier Helmut Kohl eenzelfde initiatief had genomen.

Dieter Hundt, een gematigder werkgeversvertegenwoordiger, verklaarde dat hij deelname aan een gesprek bij de kanselier ,,vanzelfsprekend'' niet zou weigeren. Maar tegelijkertijd kritiseerde hij de loonpolitiek van IG Metall en de belasting-, begrotings- en sociale politiek van de regering. Tijdens de gespreksronde vandaag met de kanselier zouden de werkgevers duidelijk maken, dat `alle' wijzers van de klok de verkeerde kant opstaan.

,,Dreigen heeft helemaal geen zin'', meent Schmoldt, die verwacht dat het zo'n vaart niet zal lopen. ,,Op grond van de maatschappelijke ontwikkelingen is er geen alternatief voor de Alliantie voor Werk. We moeten in consensus oplossingen zien te bereiken.'' Schmoldt wijst erop dat de regering op 27 september vorig jaar van de kiezers de opdracht heeft meegekregen zo'n alliantie voor elkaar te krijgen. Het was Schröders belangrijkste verkiezingsitem.

,,Iedereen die ermee op wil houden, moet weten dat hij zich tegen de meerderheid van de bevolking keert'', zegt Schmoldt. Als Duitsland het niet voor elkaar krijgt een Alliantie voor Werk te realiseren, verliest het zijn vermogen aanpassingen in de economie, die sowieso nodig zijn om de concurrentiekracht te vergroten, succesvol door te voeren. ,,Het lijkt wel een kindercrèche met al die dreigementen, terwijl het toch verantwoordelijke actoren behoren te zijn.''

Het resultaat van de metaal-CAO vindt Schmoldt niet extreem. Maar is 4,2 procent niet toch te hoog? Matiging zou volgens economische experts het parool moeten zijn nu de economische groei dit jaar mogelijk tot 1,5 procent terugvalt

,,Momentje'', zegt Schmoldt en wijst erop dat de loonstijging is verdeeld in een basisbedrag van 3,2 procent en een winstafhankelijke bonus van 1 procent. ,,Alle partijen rekenen natuurlijk naar zichzelf toe. Maar de 1 procent wordt alleen gegeven omdat de metaalbranche goed geboerd heeft. Voor bedrijven waar het minder gaat, gelden andere spelregels.''

In zoverre noemt Schmoldt het resultaat zelfs ,,richtinggevend''. Werknemers profiteren mee van de winst als het goed gaat, maar zodra de ontwikkeling minder florissant is kan dit inleveren betekenen.

De loonpolitiek hoort volgens Schmoldt ook op de agenda van de rondetafelgesprekken. Zelf meent hij dat de CAO-politiek de laatste jaren ,,zeer verantwoord'' is geweest. In heel Duitsland bedroeg de loonstijging vorig jaar niet meer dan gemiddeld 2 procent. Daarom ook verzette hij zich tegen de oproep tot `het einde der bescheidenheid'. Dat suggereert dat niet alle mogelijkheden zijn benut.

Schmoldt vindt dat niet iedereen naar zijn eigen portemonnee, maar ook naar het gemeenschappelijke belang moet kijken. Wat is het effect van een CAO op de concurrentiepositie van de onderneming? Scheppen we met een CAO betere voorwaarden opdat werkloosheid wordt bestreden? Dat zijn volgens Schmoldt de vragen waar het in Duitsland om gaat. Zo worden in zijn eigen chemiesector de overuren allang niet meer in geld uitbetaald, maar in vrije tijd. De werktijden zijn sterk versoepeld, zodat er langer en korter kan worden gewerkt. ,,We zijn al blij dat onze CAO-politiek ertoe heeft geleid dat de reductie van personeel aanzienlijk is verminderd.''

Niet zozeer de lonen zijn te hoog, meent Schmoldt, maar de loonkosten (belasting- en premiedruk) maken de Duitse werknemer te duur. De arbeidskosten voor een Duitse industrie-arbeider zijn met 28 euro per uur het hoogst in de EU. ,,We ontkomen niet aan de hervorming van het sociale stelsel'', meent Schmoldt. ,,De pensioenen, de bijstand, werkloosheidsuitkeringen vereisen aanpassingen willen we de druk verlichten.''

Schmoldt heeft goede hoop dat er de komende maanden in de rondetafelgesprekken enkele eerste concrete resultaten kunnen worden geboekt. Vertegenwoordigers van werkgevers- en werknemersorganisaties mogen gespierde taal gebruiken, achter de schermen blijken de sociale partners in de vele werkgroepen harmonieuzer samen te werken dan de oorlogsretoriek van de onderhandelaars doet vermoeden.

Volgens Schmoldt bestaat er grote overeenstemming de belastingverlaging voor ondernemingen van 45 naar 35 procent al in het jaar 2000 door te voeren en niet in 2002, zoals de regering voorstelde. ,,We hoeven bedrijven geen geld te sturen, maar investeringen kunnen worden gehonoreerd'', vindt Schmoldt.

Daarnaast zijn voorstellen in de maak om oudere werknemers met 60 jaar met pensioen te sturen, zodat jongeren aan de slag komen. ,,Jeugdwerkloosheid is springstof voor het land'', meent Schmoldt. Verder zullen taboes moeten worden aangepakt. Schmoldt verwijst naar Nederland, waar een belangrijk deel van de nieuwe banen uit deeltijdwerk bestaat. De dienstensector, vooral de persoonlijke dienstverlening, waarin veel deeltijdwerk voorhanden is noemt hij een grote, zwakke plek in Duitsland. Waarom zie je hier in de supermarkt geen mensen die je spullen inpakken, vraagt Schmoldt zich af. ,,Ja, omdat het weinig betaalt, maar het is tenminste een baan''.

Er zullen aan Schröders rondetafel ,,harde noten moeten worden gekraakt'', waarbij iedereen iets moet inleveren, zegt Schmoldt. Degenen die niet willen meedoen, moeten volgens hem beseffen, dat ze niets voor de toekomst van Standort Duitsland willen doen. ,,We kunnen ons geen mislukking van de rondetafelgesprekken permitteren.'' Dan koerst Duitsland af op een horrorscenario en verharden de sociale verhoudingen. ,,Alleen via consensus kunnen we maatschappelijke veranderingen bereiken die veel mensen vragen. Sociale conflicten werken volstrekt contra-productief.