Politicus moet kunst van het debat beheersen

Een parlementariër moet beschikken over debattalent en verbaal kunnen vlammen, want dossierkennis is niet voldoende. Dat was bij de laatste verkiezingen reden voor partijen om sommige leden niet meer op de lijst te zetten. De Tweede Kamer als kraamkamer van welsprekendheid?

Het is bon ton te beweren dat het Nederlandse politieke debat een slaapverwekkende vertoning is en dat we een voorbeeld zouden moeten nemen aan het Engelse parlement. Daar staat het debat voor felle confrontaties met scherpe tong, zoals in een legendarische optreden van Churchill. Toen een Lagerhuislid zei: ,,Sir, you're drunk!'' repliceerde Churchill gevat ,,Yes, but tomorrow I'm sober, while you are still ugly!''

Waarom ontbreken in de Nederlandse politiek het vurige pleidooi en het verbale steekspel? Voor een debat zijn tegenstellingen nodig, maar regering en oppositie in Nederland verhouden zich niet hetzelfde als Tories en Labour. De partijprogrammatische verschillen tussen de grote partijen zijn dermate klein, dat voor de aan dikke regeerakkoorden gebonden coalities consensus belangrijker is dan contrast. Met weemoed denkt de oudere kiezer terug aan de jaren zeventig en het begin van de jaren tachtig, toen Wiegel, Den Uyl en Van Agt en niet te vergeten Marcus Bakker hun argumenten verpakten in heldere taal. Niet alleen de ideologische verschillen, maar ook de persoonlijke tegenstellingen zorgden toen voor debatten vol spitsvondigheden, felle uithalen en persoonlijke aanvallen. Het `gerollebol over straat', waar Wiegel altijd zo smalend over deed, hoorde bij de toenmalige debatcultuur.

Fractiediscipline, Torentjesoverleg en commissievergaderingen hebben van het plenaire Kamerdebat een schamele vertoning gemaakt, waarin taferelen met één minister en drie of vier Kamerleden in een verder lege zaal eerder regel dan uitzondering zijn. Het pacificerende ontwerp van de zaal, zonder de compacte en confronterende opstelling van de oude Tweede Kamer, is daar mede debet aan. De meeste parlementariërs hebben bovendien geen noemenswaardige scholing in de retorica van het debat. Zo heeft zich een heuse poldervariant van het klassieke debat kunnen ontwikkelen, zonder fragrante tegenstellingen, maar in bestuurlijk opzicht effectief. De Tweede Kamer is echter niet bedoeld als een besloten debatingclub, maar als een publiek strijdtoneel, waarin de pluriformiteit van de samenleving hoorbaar en voelbaar is.

Wil de kloof tussen politiek en burger kleiner worden, dan vraagt de complexiteit van de maatschappelijke problemen niet om weerbarstig taalgebruik en achterkamertjesoverleg, maar om welsprekende politici, die en plein public het debat aangaan.

Toch valt op de korte en lange termijn te verwachten dat het debat weer een prominente plaats krijgt. In Den Haag worden de tegenstellingen tussen regering en oppositie feller, nu Paars II problemen heeft, de oppositie in haar rol groeit en aanstonds knopen moeten worden doorgehakt over emotioneel beladen thema's zoals de Bijlmerramp.

Maar ook buiten Den Haag stijgt de aandacht voor de kunst van het debatteren gestaag. Steeds meer steden krijgen debatingclubs, wat herinneringen oproept aan de debatingsocieties uit de tweede helft van de 18de eeuw. In het onderwijs is na een lange weg eindelijk mondelinge taalvaardigheid een examenonderdeel geworden op HAVO en VWO. Landelijke debatcompetities tussen scholen en instellingen voor hoger onderwijs brengen honderden jonge debaters op de been. Maar ook het professionele circuit ziet de waarde van het debat als oefening in overtuigingskracht.

Deze broedplaatsen van debattalent zorgen ervoor dat mensen niet alleen kritisch leren denken, maar deze kritiek ook overtuigend kunnen articuleren. Een politicus die zo'n geïnformeerd en verbaal vaardig publiek wil aanspreken, moet zelf de kunst van het debat beheersen en – in termen van Aristoteles – de perfecte balans weten tussen ethos (karakter, uitstraling), pathos (inspelen op het gevoel) en logos (kracht van argumenten). Waar regering en oppositie nu nogal eens in een welles-nietes verzeild raken, zou een retorisch geschoolde politicus kiezen voor verbale judo en door tactisch meebewegen een opponent met perfecte timing zijn eigen val te laten inluiden

Debaters met een sterk ethos als Van Mierlo en Bolkestein hebben het politieke toneel verlaten, maar in de nog wat bijterige Rosenmöller, recent nog winnaar van de Thorbeckeprijs voor de beste politieke debater, schuilt één van de waardige opvolgers. Niet ontbloot van charisma, maar in stijl soms nog wat onwennig, lijken jonge debaters als Halsema, Van Bommel, Brood en Wijn te kiezen voor een meer confronterende stijl. Deze nieuwe garde Kamerleden heeft tijd nodig. Toen Bolkestein bij zijn eerste Algemene Beschouwingen veel kritiek kreeg op zijn stijl van debatteren zei hij: ,,Ik ben meer een schrijver dan een spreker. L'homme de l'escalier, de man die de trap afloopt en zich realiseert wat hij had moeten zeggen''. Enkele jaren later was hij de meest spraakmakende debater van het parlement en werd het stil als hij naar de interruptiemicrofoon schreed.

Wie het parlementair debat wil verlevendigen moet zich niet blindstaren op de Angelsaksische debatcultuur, die nauw samenhangt met een tweepartijenstel, juryrechtspraak en een op competititie ingestelde volksgeest. Nederland kweekt met toenemende zorg zijn eigen debattalent.

Mr.drs. Peter M. van der Geer is voorzitter stichting Holland Debate. Morgen vindt in de oude zaal van de Tweede Kamer onder auspiciën van NRC Handelsblad Het Parlementair Debattoernooi 1999 voor nieuwe Kamerleden plaats. Er zijn geen kaarten meer beschikbaar.