Plagen

De doodsbrief van de Engelse regering aan de nabestaanden bevatte standaard de volgende zin: ,,Hij stierf door een kogel, recht in het hart.'' In werkelijkheid was maar een enkeling zo'n dood gegund. Veel jongens werden door granaten aan flarden geblazen, anderen krepeerden in het gas, verdronken in de modder, of verbrandden levend voor een vlammenwerper. Tallozen bloedden langzaam dood tussen de linies waar niemand ze kon helpen, tussen de stervende paarden en de jammerende ezels. Na de eerste dag van de Somme-slag steeg, zo vertelde veteraan Hornshaw aan Lyn McDonald, vanuit het niemandsland een onaards gejammer en gekreun op, een geluid alsof enorme natte vingers over een enorme ruit schraapten. Aan beide kanten van het front deden artsen en verpleegsters wat ze konden. In Berlijn stuitte ik op de geschiedenis van de joodse ziekenhuistrein, de Victoria Louise, op pad gestuurd door het Jüdische Krankenhaus, met de beste chirurgen en zelfs een eigen operatiewagon. Joodse vrijwilligers stroomden toe, vol ongekend patriottisme. Dankzij de oorlog was iedereen eindelijk gelijk. Maar de Duitse legerstaf zag dat niet zo: eind 1916 kwam er een order om alle joden apart te registreren. Uiteindelijk was iedereen níet gelijk.

De joodse dokters bleven hun werk doen. Ze kregen, naast alle gewonden, gaandeweg steeds meer gewone zieken te behandelen. De ondervoeding en het loopgravenleven maakten de soldaten steeds zwakker, en de plagen sloegen toe. In 1918 kwam ten slotte de Spaanse griep. Naar schatting veertig miljoen doden. Bijna viermaaal zoveel als de oorlog zelf.