Kritiek NOC op plan basisinkomen

Met het basisinkomen voor de Nederlandse topsporter is geen ,,effectief'' topsportbeleid mogelijk. Dat is de kritiek van de overkoepelende sportbond NOC*NSF op het gisteren gepresenteerde beleidsplan `Kansen voor topsport' van staatssecretaris Vliegenthart (VWS).

Vliegenthart wil alle sporters vanaf 2001 hetzelfde honoreren, NOC*NSF wil onderscheid maken. ,,Een sporter kan niet los worden gezien van het programma dat hij draait'', legde M. Sturkenboom, hoofd topsport van NOC*NSF, gisteren op Papendal uit. ,,Je kan een sporter maandelijks honoreren. Maar als zijn programma niet kan worden gefinancierd, schiet je er nog niets mee op.''

NOC*NSF-voorzitter J. van der Reijden, die zich verheugd toonde met de topsportnota, hield gisteren op Papendal bij de officiële presentatie door Vliegenthart een pleidooi om de vorm van uitbetaling nog eens onder de loep te houden. ,,Het is buitengewoon belangrijk dat we deze zaak nog eens uitdiepen'', zei hij. Vliegenthart liet meteen weten dat de kans op wijziging van de regeling nihil is. ,,Ik wil me niet bemoeien met wat de topsporters precies doen'', zei de staatssecretaris stellig.

Volgens Vliegenthart maakt het voorstel voor de honorering van topsporters in de Tweede Kamer alleen een kans, als de opzet overeenkomsten vertoont met vergelijkbare regelingen voor andere groeperingen in de maatschappij. Als voorbeeld noemde Vliegenthart de WIK-regeling, die kunstenaars een maandelijkse basisinkomen verschaft.

Van der Reijden wees er gistermiddag op dat de Tweede Kamer mogelijk nog verandering in het betalingsmodel van Vliegenthart kan brengen. De bewindsvrouwe kreeg echter voor haar nota al bijval van de sportwoordvoerders van de grote partijen.

De structurele overheidsregeling van Vliegenthart voor topsporters gaat in 2001 van start. De alleenstaande sporter krijgt dan maandelijks 1.034 gulden – zijnde zeventig procent van de bijstandsnorm – en mag nog eens tot 1.800 gulden netto bijverdienen. In de tijdelijke regeling voor de komende anderhalf jaar, met terugwerkende kracht vanaf 1 januari dit jaar, ontvangt de sporter iets meer, 360 gulden per maand om precies te zijn. Dan moet zijn `strippenkaart' wel vol zijn. De sporter ontvangt voorlopig, geheel volgens het idee van NOC*NSF van loon naar werken, een vergoeding voor de tijd die besteed wordt aan trainings- en wedstrijdprogramma's. Eén strip staat voor vier uur en een sporter kan maximaal zeven strippen krijgen.

De interimregeling tot 2001 zal namens NOC*NSF worden uitgevoerd door uitzendorganisatie Randstad, een van de sponsors van de sportkoepel. Zo'n 150 topsporters maken gebruik van de regeling. Sporters die meer verdienen dan het wettelijke minimumsalaris komen niet in aanmerking voor het sportloon. NOC*NSF had liever gezien dat de minumumgrens op 100.000 gulden bruto per jaar was komen te liggen, zodat veel meer sporters overheidssteun hadden kunnen krijgen. Vliegenthart had daar echter geen oren naar.

Voor sporters die te veel verdienen en bij hun werkgever onbetaald verlof willen nemen om zich voor korte tijd helemaal op hun sport te richten, wordt een uitzondering gemaakt. Deze naar schatting 50 sporters krijgen een uitkering van NOC*NSF, dat daarvoor uit eigen middelen een aanvullende regeling heeft gecreëerd. Na de invoering van het model-Vliegenthart is er voor deze speciale groep nog geen voorziening getroffen.