De onzinkbare partij

Het opmerkelijke van de Partij van de Arbeid is dat men er zo vaak worstelt met grote interne vraagstukken, dat de drama's die daaruit ontstaan in het publiek worden opgevoerd en dat de partij door de tientallen jaren heen toch de grootste, of op één na grootste, van Nederland blijft. Andere fuseren, worden bedreigd door afgesplitste sekten of door de geschiedenis achterhaald. De PvdA heeft sektariërs gehad, machtsgrepen doorstaan, crisis en malaise achter de rug, zeer grote vergissingen gemaakt, nederlagen geleden maar is nooit tot de rand van de ondergang gebracht. Als we het resultaat van de laatste peiling voor de Statenverkiezingen omrekenen in Kamerzetels, zouden het CDA en D66 ongenadig verliezen, de VVD zou van 38 naar 41 zetels gaan en de PvdA van 45 naar 48. De sensatie om het gemankeerde voorzitterschap van twee Amsterdamse jongeren is straks een rimpel in de geschiedenis. Hoe doen ze het?

Het volkenkundig antwoord zal zijn dat de PvdA het best bij de meeste Nederlanders past; dat van de gemiddelde Nederlanders de meesten zich in de politici van de PvdA herkennen. Anderen, overigens niet minder gemiddeld, voelen zich meer thuis in een soms wat kakkineuze bourgeoiscultuur, of geven de voorkeur aan een rest van godsdienstige uitstraling. Die komen bij de VVD of het CDA terecht. Bijna de helft van het Nederlandse gemiddelde tussen de 18 en 85 en ouder, vrouw, man, boer, stedeling, intellectueel, arbeider, vrouw, man, vindt driemaal in de vier jaar onderdak bij de PvdA, en voelt zich daarbij kennelijk tevreden genoeg om niet te verhuizen. Dit is de grote lijn die alleen kan worden verklaard uit een kundig politiek beheer, een zorgvuldig bewaken van de continuïteit met het vermijden van verstarring. Het geraas van de worstelingen dat tussentijds het kiezerspubliek bereikt, doet het imago blijkbaar geen kwaad. Het hoort tot de periodieke aanpassing in geleidelijkheid.

Hieruit volgt al dat de PvdA geen partij is om eens helemaal op de schop te nemen, of tot actiepartij te maken zoals een voorzitter, André van der Louw, eens voor ogen stond; of naar vroege denkbeelden van Joop den Uyl als instrument tot het omturnen van de samenleving te gebruiken. Dat zijn daden en dromen uit een tijd die zich voor revolutionairder hield dan de huidige. En juist als men dan de hemel ging bestormen, liep het mis.

Op het congres in Utrecht is dan ook niets op de schop genomen. En zelfs al was dat wel gebeurd, dan zou de strategie achter dit geweld zo onduidelijk zijn gebleven dat de onderneming vanzelf was vastgelopen. Vernieuwing, de partij aantrekkelijk maken voor jongeren, voorbereiding op de 21ste eeuw. Goede ideëen, maar met welk doel. `Mentaliteitsverandering', las ik in een van de vraaggesprekken met de voormalige kandidaat-voorzitters. Dat is voor een vernieuwer een van de veegste tekenen, en met permissie, vooral een verlangen van ouwe heren aan de borreltafel. Een van ex-kandidaten is trouwens ook alweer bijna 31. De tijd gaat hard tegenwoordig, met al die computers.

Zoals alle grote partijen heeft de PvdA twee vraagstukken. Het ene is dat van de interne organisatie, waartoe het voorzitterschap, benoeming van partijkader, aanwijzing van kandidaten voor de Tweede Kamer horen. Het kan een spektakel opleveren, maar daarmee hebben de kiezers niets te maken als ze geen partijlid zijn. Het andere vraagstuk is dat van de politieke inhoud als de organisatorische problemen min of meer zijn opgelost. Wat heeft de partij de kiezers te bieden? Hoe groter de partij, hoe belangrijker het aanbod. Wat wil dus de PvdA, en niet alleen deze? Wat zijn de programma's van de grote partijen, hoe zien ze de toekomst van de verzorgingsstaat in de wereld van de vrije markt waar het primaat van de economie geldt? En wat zijn dan de concrete strategie en tactiek voor de uitvoering van zo'n nieuw groot concept? Dat is de kern van het politieke aanbod op grondslag waarvan de kiezer zijn stem uitbrengt – ook al weet hij dat in het land van de coalities nooit iemand volledig zijn zin krijgt en dat de wereld haar beperkingen stelt.

Het eerste paarse kabinet heeft zijn bewindsperiode in de betrekkelijke luxe van een gestaag groeiende economie voltooid. De groei neemt af, wat nog niet hoeft te betekenen dat ons een neergang te wachten staat. Maar wel is het duidelijk dat tijdens en door de groei allerlei ontwikkelingen zijn gaan wringen. De oplossing van de infrastructurele vraagstukken is meer dan ooit een politiek vraagstuk van macroformaat. De wijze waarop de economische groei bij toeneming van de bevolking in andere demografische verhoudingen zal worden beveiligd, de zorg om het milieu zonder capitulatie voor taboes of agressieve politieke correctheid, verzekering van openbare diensten bij toenemende privatisering, dat zijn voor de grote politieke partijen stuk voor stuk programmatische onderwerpen.

Slijtage is in de politiek een ongrijpbare, vaak misbruikte grootheid. Niettemin, de kiezers ervaren de slijtage als ze de indruk krijgen dat hun bestuurders grote beslissingen vermijden en het meer aan de maatschappij, dientengevolge de mensen zelf, wordt overgelaten zich een weg te banen. Een keuze maakt men door het aanbod in de programma's te vergelijken. Als de concrete keuzemogelijkheden ontbreken en de partijen zich bepalen tot de abstracties van de vrome wensen, groeit niet ogenblikkelijk maar op den duur de achterdocht. En hoewel ik het verloop van de Bijlmerenquête niet beschouw als de openbaring van een totaal falen, weet ik wel zeker dat dit schouwspel stevig bijdraagt tot de activering van een sluimerend wantrouwen in het geheel van het politieke bedrijf. Als dan de grootste partij van het land in beroering raakt door de keuze tussen twee `jongeren' van rond de 30 en een `oudere' van 37, dit alles gepaard aan de cosmetica van een lege reclamecampagne, ligt de conclusie voor de hand: niet serieus. Misschien is het een voorbijgaand teveel aan zelfvertrouwen. Laten we het hopen.