Brussel zwoegt met kafkaëske landbouworde

In Brussel zijn de ministers van Landbouw in een wat kafkaëske entourage aan hun marathonvergadering over Agende 2000 begon- nen. Deze ambitieuze poging om tot een nieuw landbouwbeleid te komen is uiterst complex en vereist veel logistieke begeleiding.

Toen Europees landbouwcommissaris Franz Fischler vorig jaar maart de voorstellen presenteerde uit Agenda 2000 voor een nieuw gemeenschappelijk landbouwbeleid, klonk uit de regeringssteden van de vijftien lidstaten een unaniem `onaanvaardbaar'. Nu, in een kafkaëske atmosfeer – prikkeldraadversperringen, talloze donkerblauwe vrachtwagens met waterkanonnen en een doodse stilte in de wijde omgeving rond het vergaderkasteel Justus Lipsius – zijn de ministers van Landbouw begonnen aan hun `marathonvergadering' over Agenda 2000. De Duitse voorzitter Karl-Heinz Funke loste maandag het vertrekschot met enkele compromisvoorstellen, die – zoals mocht worden verwacht – onmiddellijk door alle delegaties werden neergesabeld. Funke moet een schier onontwarbare kluwen ontrafelen. Vraag is hoe hij dit tot een goed einde brengt.

De voorstellen van de Commissie gingen vorig jaar meteen een procedureel circuit in. In de maandelijkse raden van ministers van Landbouw reageren ministers op zo'n voorstel. De voorzitter zamelt de kritiek in en begint die vervolgens `in te dikken', een zoektocht naar de werkelijke prioriteiten voor elke lidstaat. In het geval van Agenda 2000 is daar nog een zogeheten High Level Group aan voorafgegaan van topambtenaren die de afgelopen twee maanden vijf maal intensief hebben vergaderd. Daarnaast is er altijd het Comité Spéciale d'Agriculture dat werkgroepen heeft en direct aan de Raad van ministers rapporteert.

Voor een mega-operatie als het opzetten van een nieuw gemeenschappelijk landbouwbeleid heeft Funke vorige week in Brussel nog al zijn veertien collega's op bezoek gehad voor een voorgesprek. Behalve een ongekend moeilijke inhoudelijke klus is dat voorzitterschap vooral ook een ongekende logistieke exercitie. Er moeten vergaderzalen worden vastgelegd, dus nauwkeurig geschat hoe lang de raad gaat duren. Maar er moeten ook tolken worden geregeld, want een heilig goed binnen de Unie is dat iedereen zijn eigen taal blijft spreken. Voor je het weet kun je in Brussel als Nederlander of Griek immers alleen nog met Engels, Spaans of Frans terecht.

Als de raad dan uiteindelijk van start gaat, begint dat meestal met de befaamde `bilateraaltjes', gesprekken tussen de afzonderlijke ministers en de voorzitter, onder toeziend oog van de Commissaris. Over de volgorde van de bilateraaltjes kan ook nog worden onderhandeld. Zo lukte het de Nederlandse minister Apotheker gistermiddag – vijfde op de lijst – te ruilen met zijn Oostenrijkse collega Molterer, die eigenlijk als eerste naar binnen moest. Zodoende kon Apotheker snel tussendoor naar Den Haag in verband met ontwikkelingen aan het varkensfront.

Die `bilateraaltjes' worden geregeld herhaald tijdens een landbouwraad en bestaan uit het masseren van de respectieve bewindslieden, zodat een goede voorzitter kan taxeren bij welk land de echte noten moeten worden gekraakt. Zo'n ronde van bilateraaltjes leidt tot een compromisvoorstel dat in de voltallige raad aan de orde komt.

De vergaderzaal heeft de omvang van een volwassen sporthal. Aan de `binnentafel' zitten de voorzitter, de Commissaris en alle de ministers met twee topambtenaren, de `directe ondersteuners'. Daarachter zitten de zogeheten `dossiervreters', die bijvoorbeeld alles afweten van de verschillende, regionaal gebonden zetmeelpremies. Zij vormen `de ring'. Bij de delegaties is er ook altijd een vertegenwoordiger van Financiën en een van Buitenlandse Zaken. Maar er is ook altijd iemand van de Permanente Vertegenwoordiging in Brussel – in dit geval de Landbouwraad – mét medewerkers en veelal iemand van het Coreper, de diplomatieke vertegenwoordiging bij de EU. Al met al bestaat zo'n delegatie uit rond twintig personen.

Maar niet alleen binnen het formele `consilium' wordt onderhandeld. Zo worden deskundigen van verschillende nationaliteiten geregeld aangetroffen in een horeca-gelegenheid. Dat heeft vooral te maken met de bar in Justus Lipsius, die veel weg heeft van een Engelse tuin met talloze heggetjes, zodat een gezelschap er snel uitziet als een afgebakend clubje. Volgens ingewijden is er bij de bouw van dit enkele jaren oude complex abusievelijk geen gedragspsycholoog betrokken.

Nederlandse ambtenaren frequenteren daarom graag de propere Ierse Kitty O'Shea's Pub, terwijl de uit Oostenrijk afkomstige Eurocommissaris Fischler, gezeten achter een straffe pint, geregeld zakelijke gesprekken voert aan de bar van het nabije Duits-degelijke hotel Dorinth. Ook tamelijk informeel zijn de lunches of diners van de ministers, die bij die gelegenheid slechts één secondant mogen meenemen. Deze hoogtepunten van spijs en drank gaan doorgaans vooraf aan een plenaire bijeenkomst, die daardoor wat soepeler moet verlopen.

Maar het kan – ondanks het aangename diner – ook zijn dat de kogel buitengewoon moeizaam door de kerk gaat. In dat geval moet in eerste instantie `de ring' vertrekken naar de luisterzaal. De voorzitter spreekt de revolterende minister(s) vervolgens streng toe met de boodschap dat er nu wel iets dient te gebeuren. Levert dat niets op, dan volgt eventueel een `restreint'. In dat geval heeft de voorzitter een gesprek met de opstandige minister. Zet de bewindsman dan nog zijn hakken in het zand, dan kan worden besloten tot een `super restreint'. Volgens degenen die het hebben meegemaakt komen er dan nog net geen hete lampen en duimschroeven aan te pas.