Achterop de Berini

Als kind kwam ik graag op de boerderij van mijn opoe bij de sluis in het Zwolse kanaal. Opa was overleden toen ik een jaar of vijf was. Vaak mocht ik daar blijven slapen in een bedstee in de woonkamer, een grote kast met openslaande deuren. Er zat een klein halfrond raampje in dat uitzicht bood op het erf, de boomgaard, het kippenhok en het stookhok. In dit laatste kleine stenen gebouwtje werd de was gedaan en werd van aardappelschillen en ander afval het voer voor de varkens gekookt.

Als er een varken geslacht werd, kookte men hier het water waarmee het varkentje gewassen werd en daarna de bloedworst en de leverworst voor ze in de ronde papieren zakken gingen om op te stijven. De bedstee was voor een klein jongetje als ik groot genoeg, maar volwassenen waren gedwongen zich helemaal op te rollen of half rechtop te zitten.

Als ik al in bed lag werd door opoe, oom Jo en tante Grade het avondgebed gebeden. Dat ging nog op de knieën voor een houten stoel. Vaak volgde er ook nog een rozenkrans of een litanie.

Het gemurmel van de stemmen gaf mij een warm en veilig gevoel en meestal was ik voor het einde van het gebed al in slaap gesukkeld en droomde over het tochtje dat ik 's avonds met ome Jo achterop de Berini had gemaakt. Langs de Waterleiding en dan de Boldiek op, laverend en schoppend langs de woeste hofhonden van de Daarler boeren die dan weer van rechts, dan weer van links op ons af kwamen stormen en over het zandpaadje langs het Zwolse Kanaal weer terug.

Ik heb altijd gedacht dat Berini een Italiaans merk was tot ik een paar jaar geleden, in een door Servaas van der Horst geschreven boekje, las dat drie broers in Rotterdam, Bertus, Rinus en Nico, de makers van deze bromfietsen waren.

Soms moest je 's nachts naar de wc. Je ging door de keuken, dan de deel op langs de snuivende koeien die je nieuwsgierig bekeken. Helemaal achterin, naast het varkenshok, deed je de deur op het haakje en nam het ronde deksel van de grote houten doos. In het vage licht zag je in de diepte een grote warme zacht glanzende massa. Ik kan me niet herinneren dat ik het vond stinken, evenmin als de stal.

Eenmaal gezeten luisterde je naar het geritsel en het snuiven en knorren van de varkens aan de andere kant van het houten wandje. Thuis gebruikten we al wc-papier maar hier hing aan een ijzerdraadje een in reepjes gescheurde Katholieke Illustratie of de Beatrijs (de Roomse Margriet). Het gladde papier nam slecht op, je had heel wat reepjes nodig.

De volgende dag maakte ome Jo voor mij een boog van een tak uit de wilgenbosjes die een eindje achter de boerderij langs de Daarler Beek, of wat daar nog van over was, groeiden. De pijlen werden van riet en vlierhout gemaakt.

Wanneer je voorin het vlierhout een kroontjespen stak, had je een echte pijl. Toen ik een jaar of tien was, heb ik met zo'n pijl eens een patrijs geschoten. Misschien meer geluk dan wijsheid, maar toch. Hoewel ik er nu iets anders tegenaan kijk – de patrijs is bijna verdwenen uit Nederland – was ik toen apetrots. Nadat vader hem voor mij had gebraden, heb ik hem smakelijk opgepeuzeld.