Waarheidsqueeste Bijlmerenquête verhult de werkelijkheid

De Nederlandse media falen weliswaar niet in hun berichtgeving over de parlementaire enquête naar de Bijlmerramp, maar kiezen lang niet altijd automatisch voor het juist weergeven van de werkelijkheid, vindt Bastiaan Bommeljé. Zonder een dosis zelfbedrog kan geen enkele samenleving functioneren.

Als vier weken Bijlmerenquête iets duidelijk heeft gemaakt, dan is het wel dat de waarheid niet noodzakelijkerwijs hetzelfde is als de werkelijkheid. Dit is geen wijsgerige scholastiek, maar de basis van een fundamenteel en praktisch dilemma.

De kwestie is deze: wie op zoek gaat naar de waarheid, zoals de enquêtecommissie, stuit vroeg of laat op de werkelijkheid. En dan blijkt dat die werkelijkheid een stuk chaotischer, onoverzichtelijker, tegenstrijdiger, sukkeliger, gewoner en misschien ook wel ingewikkelder is dan waarheid ooit kan zijn. Doch wie het heil verwacht van de waarheid, loopt het gevaar slechts moeizaam in staat te zijn de werkelijkheid te aanvaarden, hoe verbluffend menselijk – al te menselijk – die ook is.

Het is precies dit dilemma waarvoor de enquêtecommissie zich gesteld ziet bij haar streven `de waarheid boven tafel te willen brengen'. Het is ook dit dilemma dat opduikt in het hoofdredactionele commentaar van deze krant van afgelopen zaterdag, waarin het heet dat door ,,de bestuurlijke puinhoop'' na de Bijlmerramp het onwaarschijnlijk is dat ,,de waarheid ooit onweerlegbaar zwart-op-wit wordt vastgelegd''.

Hetzelfde dilemma duikt op in de oproep van Defensievoorlichter B. Kreemers (NRC Handelsblad, 16 februari) om een parlementaire enquête te ondernemen naar `de waarheid' van het Srebrenica-debâcle. Dit dilemma ligt al evenzeer ten grondslag aan de constatering van H.J.A. Hofland dat de Bijlmerenquête zelfs ,,meer is dan het zoeken naar de waarheid'', en bevestigt dat ,,de Nederlandse politiek op het ogenblik in staat van afbraak is'' (NRC Handelsblad, 17 februari).

Het dilemma woekert trouwens in geheel Nederland voort: vanaf De Telegraaf (`Eén telefoontje had DE WAARHEID kunnen onthullen', kopte deze krant op 13 februari) tot het VPRO-programma Het Blauwe Licht aan de andere kant van het culturele spectrum (waar het in de uitzending van 17 februari heette dat met de verhoren `voor het eerst de waarheid op tv is').

Het probleem schuilt precies in die wens, die hoop, die verwachting of die constatering dat `de waarheid' wordt vastgesteld. Dit is een honorabele wens, die niet teveel gevraagd lijkt inzake de Bijlmerramp en Srebrenica, maar dat misschien wel is. Beter gezegd: het is wellicht verkeerd gevraagd. Waarheid is immers een begrip dat in filosofische zin wel te maken heeft met juistheid, maar in het dagelijks leven evenveel met het geloof in het bestaan ervan. Misschien kan men zelfs wel alleen naar de waarheid zoeken wanneer men er stellig van overtuigd is dat die in ongeschonden staat ligt te wachten op `onthulling' (een veelgebruikt woord dezer dagen in Nederland) – of, in religieuze zin, op openbaring.

Niet voor niets denken waarheidszoekers doorgaans te weten dat er iets is dat zij gaan vinden. En het is op dit punt dat alle gelovigen elkaar ontmoeten, of ze nu menen dat de waarheid in de bijbel is geopenbaard of dat de waarheid omtrent de Bijlmerramp of Srebrenica door samenzweerders in donkere krochten is verstopt. Afgezien van de kwestie of en in welke mate dit laatste zo is (uitgesloten is niets), lijkt het nuttig te constateren dat waarheid een begrip is dat zelden door historici, en dikwijls door theologen wordt gebruikt.

Het is vanwege dit alles dat vier weken Bijlmerenquête bovenal een gevoel van politieke zeeziekte heeft losgemaakt. Voortdurend worden we heen en weer geslingerd tussen de vaste overtuiging bedrogen te zijn door de eigen overheid en de scepsis dat de alomvattende conspiratie der kwade machten niet meer is dan een literaire stijlfiguur. Sterker nog, soms lijkt het culturele cliché van de nobele eenling – die strijdend tegen de diabolische Big Brother (`de bestuurlijke puinhoop') de waarheid voor de poorten van de hel wegsleept – onze perceptie danig te verengen, of in ieder geval onze blik op de hoofdzaak te vertroebelen. Wat ik bedoel, is dat een enquête misschien helderheid kan verschaffen over het verdwenen fotorolletje, maar dat geen enkele foto op dat rolletje kan onthullen dat menselijke – al te menselijke – impulsen als parlementaire hybris, militaire ijdelheid en politieke naïveteit in het Srebrenica-drama de hoofdrol aan Nederlandse kant speelden. Zulks wisten wij reeds, en ook dat hieruit geen politieke consequenties zijn getrokken. Dat is immers het schandaal, en niet welke sergeant met wie het glas hief, of welke onderknuppel probeerde op een onderknuppelige manier het imago van zijn dienst van smetten vrij te houden.

Peter Vasterman heeft opgemerkt dat zowel de enscenering van de parlementaire enquête naar de Bijlmerramp als de verslaglegging daarvan in de media in hoge mate sporen dragen van een `onthullings'-perspectief (NRC Handelsblad, 13 februari). Dat kwam hem te staan op een sneer van Hofland in diens eerder gememoreerde column. Toch verdient de rol van de media in de Bijlmerkwestie aandacht. Medewerkers El Al waren op rampplek, luidde de opening van deze krant afgelopen zaterdag. Ondanks het feit dat het hier ging om verklaring, en een verklaring uit de tweede hand, stonden er geen aanhalingstekens bij deze kop, die waarschijnlijk voor latere generaties niet meer goed te duiden is zonder de zware connotatie van conspiratie, leugen en bedrog die wij er thans onmiddellijk in kunnen lezen. Duidelijk is in ieder geval dat in de media grote woorden niet zijn geschuwd, en dat zij bijzonder snel werden gebezigd.

Alleen al in deze krant heette het in het genoemde hoofdredactionele commentaar van 20 februari dat de enquête nu al duidelijk heeft gemaakt dat er in Nederland sprake is van `een zootje'. Op 8 februari concludeerde Hubert Smeets dat de ambtenarij volledig is `losgezongen' van de natie en schreef Alain Franco dat Nederland `ook een bananenrepubliek' blijkt te zijn. Drie dagen later werd gewag gemaakt van een `collusie' tussen overheid en bedrijfsleven die ,,wezenlijk bedreigend kan zijn voor de samenleving''. Het schijnt mij toe dat deze zienswijzen – net als de slotsom in Trouw dat de `onthullingen' van de enquêtecommissie ,,een triomf voor de journalistiek'' zijn – nogal naadloos passen in het kwade-machten-cliché. Hier heeft een stijlfiguur de pen geleid, en misschien wel een stijlfiguur die alles te maken heeft met het Watergateschandaal – en vooral met de film over het Watergateschandaal.

Het is in Nederland niet erg gebruikelijk om in de media de media tegen het licht te houden; de afweerreacties hiertegen in de pers zijn bijna instinctief. Feit blijft evenwel dat waar zaken worden verdoezeld en `onder de pet worden gehouden' er altijd twee partijen in het geding zijn: de bedrieger en degene die zich laat bedriegen.

In weerwil van de grote woorden van nu, heeft de Nederlandse pers geen bijzonder grote traditie in het onthullen van overheidsfalen. Daarentegen is er vaak wel vaak een toegewijde follow-up als de stront eenmaal aan de knikker is (men zie de Srebrenica-kwestie, en vooral de kritische zelfreflectie van correspondent Bart Rijs in de Volkskrant van 22 augustus 1998 onder de treffende titel `Journalist leek meer op Dutchbatter dan hij wil toegeven'). Voor dat relatieve gebrek aan onthullingsjournalistiek bestaan allerlei legitieme redenen, maar het valt niet uit te sluiten dat de pers in Nederland in het algemeen juist een gebrek aan scepsis tegenover de overheid aan de dag legt, en er te weinig kritische distantie is tussen journalist en establishment, en dat men in geval van een debâcle in een schrikreactie de schade wil inhalen.

Met enig recht wordt wel gezegd dat de Nederlandse pers nog sporen van de verzuiling vertoont (Gerard Mulder betoogde zulks nog in de Volkskrant van 30 januari). Dan wordt bedoeld dat de media in Nederland niet alleen berichten over de samenleving, maar zich ook verantwoordelijk voelen voor de samenleving, ja zich in aanzienlijke mate behoeders van het bestel wanen.

Dit alles werkt natuurlijk naar de politiek correcte mores van de tijd. Hielden de Nederlandse media na hoofdredactioneel beraad ooit Greet Hofmans `onder de pet', zo werd tot zeer onlangs `de etnische afkomst' van criminelen zoveel mogelijk `onder de pet gehouden', en worden nog steeds te persoonlijk geachte wetenswaardigheden inzake bewindslieden collectief `onder de pet gehouden'. Dit gedrag zou dus wel eens veel meer een Nederlands instinct kunnen zijn dan een uiting van een duistere samenspanning door een defensieve ambtelijke cultuur.

Kenmerkend voor de bevoogdende houding van de Nederlandse media is de tamelijk recente uitlating van de hoofdredacteur van Trouw, Frits van Exter, dat de lezer nu rijp is voor meer openheid en de etniciteit van criminelen thans `heel goed aan kan'. Dat de Nederlandse media tenminste evenveel waarde aan moraal hechten als aan de in essentie moraalloze werkelijkheid, bleek ook uit de geagiteerde opmerking die nieuwslezeres Pia Dijkstra nog niet zo lang geleden in het Journaal maakte tegen minister van Buitenlandse Zaken Van Aartsen: ,,Wanneer gaan we [sic] nu eindelijk eens iets doen aan Kosovo?'' Precies hetzelfde moralisme toonde de vraag door een journaliste van Den Haag Vandaag aan staatssecretaris Cohen: ,,Als u die witte illegalen ziet, kunt u dan nog wel goed slapen?''

Deze domineeshouding doet uiteraard geen bewindslieden vallen, en het zou de media slapeloze nachten moeten bezorgen dat de ministeriële verantwoordelijkheid in Nederland de laatste jaren zo ongestraft is opgerekt als zij is opgerekt. Niemand zal kunnen beweren dat de Nederlandse media falen in hun berichtgeving – dat zou een belachelijke claim zijn –, maar wel dat zij in het dilemma tussen waarheid en werkelijkheid lang niet altijd en lang niet altijd automatisch kiezen voor de werkelijkheid. Het lijkt althans alsof in de Nederlandse media geregeld de moraal de journalistieke heilige drie-eenheid van namen, plaatsen en data enigszins voor de voeten loopt. En het is misschien daarom dat nu plotseling de stijlfiguur van de ambtelijke conspiratie dan wel het alomvattende bestuurlijke falen zulke hoogtij viert, terwijl zo kort geleden nog met de stijlfiguur van het `poldermodel' in dezelfde media ons land als exempel voor de wereld werd uitgedragen.

Zolang het tegendeel niet is bewezen, lijkt Nederland niet zo erg op een bananenrepubliek waarin de politiek `in staat van afbraak is'. Te vrezen valt echter wel dat de Nederlandse werkelijkheid niet rooskleuriger is dan elders. Waarschijnlijk zal nader onderzoek van bijna willekeurig welk onderdeel van de Nederlandse werkelijkheid dezelfde interessante mix van menselijk falen, kleinzieligheid, incompetentie, haperende geheugens, tegenspraak, nonchalance, paniek en luiheid (alsmede het tegendeel) aantonen als nu bij de Bijlmerenquête aan het licht komt. Denk bijvoorbeeld aan de honderden miljoenen die verdampten bij de automatisering van de sociale diensten, of aan de reeds jarenlang in chaos verkerende asielzoekersopvang, of zelfs maar aan iets onbeduidends als de recente visitatie van de Nederlandse letterenfaculteiten (à 4 miljoen gulden) waaruit bleek dat nogal wat als `gepubliceerd' opgegeven artikelen nergens waren te vinden, en waarvan de conclusie luidde dat de voormalige technische hogeschool Twente de allerbeste letterenopleiding van het land biedt.

Rest de slotsom dat het aannemelijk is dat geen enkele samenleving kan functioneren zonder een dosis zelfbedrog. Dat zelfbedrog strekt zich uit over meer geledingen uit dan de politiek en de ambtenarij alleen. Het is evenzeer terug te vinden in de media, in het collectieve geheugen en in wat de socioloog Erving Goffman de `dramaturgie van het dagelijks leven' noemde.

Te hopen valt dat inzake de Bijlmerramp en Srebrenica het functioneren van dit zelfbedrog zichtbaar gemaakt wordt. Dat kan waarschijnlijk niet door de waarheid te `onthullen', maar wel door het zorgvuldig karteren van de werkelijkheid. Want de zoekers naar waarheid weten zonder mankeren de good guys van de bad guys te scheiden, maar de landmeters van de werkelijkheid beseffen dat het altijd tobben blijft met de rest van ons.

Bastiaan Bommeljé is uitgever en historicus.