Universiteiten

Van Hooff betreurt het verdwijnen van de democratische overlegstructuur op de universiteiten en vreest het ergste voor de uitwerkingen van de universitaire monarchisering (NRC Handelsblad, 20 februari). Van Hooff suggereert ten onrechte dat het vroegere systeem met besluitvormende raden en commissies naar ieders tevredenheid werkte. In de tweede plaats kritiseert hij a priori de huidige alleenheerschappij van de decaan, wat bij nader inzien slechts berust op de beperkte persoonlijke managerskwaliteiten van zijn eigen baas.

Zoals Van Hooff zich hopelijk nog kan herinneren, werkte de vroegere universitaire democratie lang niet altijd perfect. Hoewel iedere groep van belanghebbenden op ieder niveau de kans kreeg zich met het universitaire beleid te bemoeien, werden de uiteindelijk genomen besluiten nimmer met gejuich door de universitaire gemeenschap ontvangen, laat staan enthousiast uitgevoerd. Als überhaupt al een besluit werd genomen.

Geledingen van studenten, wetenschappelijk en overig personeel speelden in de Universiteitsraad parlementje met het College van Bestuur als kabinet. In wisselende coalities, al naar gelang men hoopte dat het individuele eigenbelang het best zou worden behartigd, werd het voorgestelde beleid zoveel mogelijk ontdaan van vernieuwende (lees: bedreigende) elementen. In concrete uitvoering verschilt het `nieuwe' systeem niet zoveel van het oude. Alleen komt de besluitvorming nu een stuk sneller tot stand en is het wat duidelijker wie de beslissing uiteindelijk neemt.

Dan het tweede argument van Van Hooff. Volgens hem is de autocratie van de decaan een slechte zaak, omdat deze staat of valt met de persoon van de gezaghebber. Met deze constatering slaat hij de spijker op zijn kop, alleen zou ik de redenering willen omdraaien. Het feit dat de decaan als enige eindverantwoordelijk is voor het bestuur van de faculteit, opent juist mogelijkheden om veel vernieuwende dingen te gaan doen. En dat vernieuwing nodig is, moge duidelijk zijn.