THE ECONOMIST

Innovatie heeft meer te maken met het gericht zoeken naar de goede omstandigheden dan met romantische ideeën over serendipiteit of over eenzame pioniers met een visie die niemand deelt. Er is geen eenduidig recept voor innovatie maar wel een bruikbaar kookboek. In een special over innovatie schrijft The Economist dat innovatie de verklaring vormt voor dat deel van de economische groei dat niet valt toe te schrijven aan toename van kapitaal en arbeid. De ervaring leert dat innovatie goed is voor meer dan de helft van de economische groei.

Verwijzend naar het werk van Kondratieff en Schumpeter betoogt het blad dat de economie zich sinds de achttiende eeuw ontwikkelt met golven die steeds korter worden en die beginnen en eindigen met een reeks innovaties. Dit blijkt bijvoorbeeld uit het feit dat de productiviteit van industriële laboratoria twee keer zo groot is als enkele decennia geleden. Duurde de eerste golf zo'n zestig jaar, de vijfde golf van digitale netwerken, software en nieuwe media die eind jaren tachtig ontstond in de Verenigde Staten zal waarschijnlijk niet langer duren dan dertig jaar.

Het is naïef om innovatie te zien als een pijplijn waar je aan het ene eind geld in stopt bestemd voor R(esearch) en D(evelopment) dat er aan het eind weer uitkomt in de vorm van nieuwe technologie die commercieel toepasbaar is. Natuurlijk is zuiver wetenschappelijk onderzoek belangrijk, maar niet - zo blijkt uit recent onderzoek - omdat het wetenschappelijke ontdekkingen voortbrengt, maar omdat het vernieuwingsgezinde ondernemers voorziet van technieken voor het oplossen van industriële problemen.

De vijfde economische golf kon in de Verenigde Staten op snelheid komen door nieuwe wetgeving die veel meer mogelijkheden gaf om technologie ook buiten het domein van de nationale laboratoria toe te passen en die het ook mogelijk maakte dat onderzoekers en kleine bedrijven die onderzoek deden in opdracht van de overheid de resultaten daarvan mochten behouden, inclusief de bijbehorende octrooien. Hoewel dit economisch-juridische model nu overal wordt gekopieerd stelt het blad de vraag of het gerechtvaardigd is dat de onderzoekers zich persoonlijk verrijken door middel van onderzoek dat is betaald met publieke middelen.

Hoe het ook zij, de overheden blijven geld pompen in de R&D van universiteiten, nationale wetenschappelijke instelingen en van de industrie. De Amerikaanse overheid besteedde daaraan vorig jaar 65 miljard dollar, bijna een procent van het Bruto Binnenlands Produkt. Maar het bedrijfsleven is niet afhankelijk van wat het van de overheid krijgt. De grote ondernemin- gen in de geïndustrialiseerde landen geven gemiddeld ruim vier procent van de omzet uit aan R&D. De ondernemingen in Duitsland, Engeland, Frankrijk, Italië, België, en Zuid-Korea zitten onder het gemiddelde. Die in Japan, de Verenigde Staten, Nederland, Zwitserland, en Zweden zitten er boven, in stijgende volgorde. Het bedrijfsleven in Finland komt op 10,4 en Canada op 10,8. Dat van Denemarken spant de kroon met maar liefst 16,3 procent.

De meeste innovatie vindt plaats in de boezem van grote ondernemingen en komt voor rekening van eigenwijze individuen die de regels aan hun laars lappen. Zo huldigen de onderzoekers bij IBM het principe dat ze hun werk niet goed doen als de leiding niet regelmatig boos op hen is. De belangrijkste voorwaarde voor het succes van innovatie is dat de medewerkers veel pendelen tussen het laboratorium en de kantoren van de business-eenheid waarvoor ze werken. Maar altijd zal het principe gelden dat je veel kikkers moet kussen voor je een prins treft. Anderzijds kun je met één prins veel kikkers betalen. Dat moet ook wel want je hebt 3000 goede ideeën nodig voor vier plausibele onderzoeksprogramma's. En dat is het minimum aantal dat je nodig hebt voor het maken van een grote klapper.

Californië en Israël zijn de plaatsen waar innovatie het beste gedijt. Nergens anders ter wereld bestaat er zo'n concentratie van professionals die zo snel ideeën kunnen bedenken, uitvoeren, en op de markt brengen, van wetenschappelijke onderzoekers tot gespecialiseerde juristen, en van marketingmensen tot technici en geldschieters. Waar de Verenigde Staten 18 ingenieurs en technici tellen per 10.000 inwoners, heeft Israël er 135. De hoeveelheid risico-kapitaal is vorig jaar in Israël met 35 procent gegroeid tot vier miljard dollar.

Californië en Israël hebben behalve een droog klimaat een cultuur gemeen waarin respect bestaat voor geleerdheid en ondernemingszin. Maar de meest opvallende overeenkomst tussen beide landen is dat immigranten een extreem groot bestanddeel van de samenleving vormen.

The Economist is verkrijbaar in de kiosk.

www.economst.com