Mist

Het mist over de oude slagvelden van de Somme, en naarmate de dag vordert wordt de nevel dikker. Alle velden, alle herbouwde huizen en boerderijen, alle oude loopgraven, graven, monumenten, vergeten resten, verloren lichamen, alles is overdekt met stilte en wit van hemel tot aarde.

De oorlogskerkhoven liggen als bushaltes aan de boerenweggetjes, en ik rijd maar wat rond. Ik moet denken aan een gesprek dat de oorlogsverpleegster Vera Brittain hier in een ziekenzaal afluisterde. Een sergeant vertelde dat hij een fantastische kapitein had gehad, die zijn jongens altijd weer uit de nesten haalde. Bij de Somme was hij gesneuveld, en ze hadden om hem gerouwd als een broer. `Maar pas geleden, vlak voordat de Mof Albert zou binnenkomen, we raken een beetje vast, en ik doe alles wat ik kan om ons eruit te krijgen, en opeens zie ik hem, met zijn heldere ogen en zijn oude grijns, de achterhoede een zetje geven. Nou Will's, zegt-ie, dat was krap geschoren. En ik wil hem antwoord geven, en opeens is-ie verdwenen.'

Daarna begon een ander over een stel brancard-dragers, een topploeg. `Op een dag komt er zo'n kolendoos naar beneden, en weg zijn ze. Maar vorige week zien een paar van onze jongens ze weer, een paar gewonden sjouwen ze de loopgraaf af. En in de trein kom ik een jongen tegen die zweert dat hij door hen eruit is gehaald.' Vera Brittain gelooft het allemaal niet zo, maar de sergeant hield voet bij stuk. `Zeker zuster, ze zijn dood. Maar ze waren onze maten toen ze in '16 bij de Somme werden ingemaakt, en zeker weten: ze vechten nog met ons mee.'