`Labbekakkerig gedogen' is echt Nederlands

`Hier gaat het over in de cultuur, de komende jaren' is de titel van een reeks van vijf publieke debatten. Nieuw cultuurbeleid wordt voorbereid door denken en spreken over grote thema's. Aflevering drie: Paul Scheffer bekritiseert Nederlands zwakke zelfbeeld en Adriaan van Dis pleit voor `multicultureel cohabiteren'.

,,Laten we alsjeblieft serieus blijven'', verzucht Paul Scheffer bij de zoveelste raak geformuleerde kwinkslag van zijn opponent. Met zijn grappen speelt Adriaan van Dis op de zaal, maar zijn argumenten snijden wel degelijk hout. Voor het eerst in de reeks `Hier gaat het over' krijgt de inleider serieus weerwoord van de drie co-referenten en slaat de opwinding over naar het publiek. Niet omdat het niveau van de lezing minder is dan dat van de vorige twee, maar omdat Paul Scheffer (NRC Handelsblad, VPRO) beter weet te provoceren. En omdat het onderwerp iedereen aanspreekt: de positie van de Nederlandse cultuur in de multiculturele samenleving en binnen Europa.

Scheffer keerde zich – niet voor het eerst, zoals hij zelf al aangaf - tegen het zwak ontwikkelde zelfbeeld van Nederland. Kennis van eigen taal, cultuur en verleden ontbreekt en wordt onvoldoende onderwezen, nationale identiteit wordt beschouwd als onnodig en achterhaald. Waarom hebben wij (het niet willen spreken over `wij' betitelt Scheffer als hypocriet) geen Haus der Geschichte en doen we meesmuilend over onze nationale keuken? De achteloosheid ten aanzien van cultuur uit zich ook in de relatie met onze buurlanden: de veelgeprezen Nederlandse `openheid' is een farce, we staan met de rug naar het continent. Zolang we niet (willen) weten wat onze eigen cultuur is, valt er niets uit te wisselen met andere culturen.

En dat heeft consequenties voor de multiculturele samenleving. Integratie van nieuwkomers in Nederland is tot mislukken gedoemd, want we hebben die nieuwkomers niets te bieden. Waarom zouden ze hun eigen identiteit opgeven als wij ze geen alternatief bieden? Intercultureel onderwijs is onzin, en natuurlijk moeten Turkse kinderen leren wat '40-'45 voor Nederland betekende. Een meerderheid die ontkent meerderheid te zijn, daar wordt niemand wijzer van. Ook Nederland als minderheid, als onderdeel van Europa, functioneert slecht. We denken gidsland te kunnen zijn, terwijl we helemaal niet deelnemen aan de internationale gemeenschap. Immers, wie leest er nog Franse en Duitse literatuur? In ieder geval Scheffer zelf, is op z'n minst de suggestie, want het aardige van dergelijke zelfkritiek is dat de spreker er altijd boven verheven is, anders zou hij het niet kunnen constateren.

Adriaan van Dis kwam met de meest adequate reactie op Scheffers verhaal. Dat `labbekakkerige gedogen', dat is onze identiteit. Dat paradoxale zelfbeeld, die nationale trots op het gebrek aan nationale trots, dat is het kenmerk van onze cultuur. En die cultuur is zo slecht nog niet, vulden Tamarah Benima, hoofdredacteur van het Nieuw Israëlitisch Weekblad en Bert van Mechelen, directeur Rotterdam Culturele Hoofdstad 2001, aan. Consensus, gelijkheid en tolerantie zijn wel degelijk verworvenheden, geen begrippen om badinerend over te doen.

Wat hebben wij nieuwkomers te bieden en zijn we op weg naar een samenleving waar minderheden met of naast elkaar leven? Niets en naast, aldus Scheffer. Veel en met, aldus zijn opponenten. Van Dis hoort allochtone jongeren die platter praten dan Amsterdammers en ziet `multicultureel cohabiteren' als een activiteit die alle problemen zal oplossen. Scheffer bleef bij zijn verdediging steken in herhaling en greep vergeefs naar Carry van Bruggen. Toch kan zijn ongerustheid over de falende integratie niet worden afgedaan als een elitair achterhoedegevecht. Al was het maar omdat, zoals Michaël Zeeman fijntjes constateerde, het publiek in de Unie niet bepaald een proeve was van de pluriforme, kleurrijke samenleving die Nederland denkt te zijn.