Heilzame machtsmiddelen

De parlementaire enquêtecommissie Bijlmerramp heeft de kanonnen van de regering even tot zwijgen gebracht, en van die tijdelijke stilte aan het front hebben sommige Kamerleden onmiddellijk gebruik gemaakt om een tweede front te openen. De ene enquête is nog niet volooid of de volgende lijkt zich alweer aan te kondigen.

De enquêtecommisie heeft onweerstaanbaar de begeerte van de andere Kamerleden opgewekt en de assertiviteit van sommigen geprikkeld. De inwerking die de televisie-uitzendingen van de commissieverhoren op de publieke opinie heeft gehad, heeft duidelijk een behoefte aan nog meer parlementair theater opgewekt. Van diverse kanten klinkt de roep om ook andere kwesties die onder het gewone vragenrecht onbeantwoord zijn gebleven onder de schijnwerpers van de parlementaire enquête te onerzoeken. Zo wil GroenLinks-fractievoorzitter Paul Rosenmöller de door onduidelijkheid en tegenstrijdigheid belaste uitvoering van het asielbeleid aan een enquête onderwerpen en ook het Srebrenica-dossier maakt nog kans enquêtegewijs te worden uitgespit. De specificaties over de door de legerleiding gerantsoeneerde waarheid over de gebeurtenissen tijdens en na de val van Srebrenica die de plaatsvervangend directeur voorlichting B. Kreemers in deze krant heeft gegeven, lijken nieuw onderzoek te billijken. De Tweede Kamer had het nadere onderzoek – na het werk van de commissie-Van Kemenade – natuurlijk zelf moeten doen in plaats van het uit te besteden aan het Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie. Alleen het parlement kan getuigen onder ede horen en aldus (een deel van) de waarheid aan tegenwerkende krijgsmachtsofficieren ontwringen. Een ondervrager van de parlementaire enquêtecommissie die tegen een getuige kan zeggen: ,,Mag ik u eraan herinneren dat u onder ede staat?'', staat op een lijn met de rechter in een strafproces. Vergeleken met dat vuistwapen van de Enquêtewet is het grondwettelijk vragenrecht van het parlement niet meer dan een kindervuist. Een minister die de Kamer met een kluitje in het riet stuurt en antwoorden geeft die in strijd zijn met de waarheid, schendt wel zijn eed op de Grondwet, maar zijn ontrouw aan de waarheid moet wel een heel grote leugen opleveren wil hij daarmee het vertrouwen van de Kamer verspelen en naar huis worden gestuurd.

Uit de enquêtevoorstellen die in de maak zijn blijkt dat de parlementaire enquête onder de tegenwoordige generatie Kamerleden meer opgang maakt dan onder de vorige. Nog maar 25 jaar geleden werd de enquête algemeen beschouwd als een wapen dat slechts in uiterste nood tevoorschijn mocht worden gehaald om tegen de regering in stelling te worden gebracht. De parlementariërs die sinds de jaren tachtig in de Tweede Kamer zijn verkozen denken daar wat gemakkelijker over. Uit overwegingen van democratie is daar ook veel voor te zeggen. Sinds elke soldaat gerechtigd is de maarschalksstaf in zijn ransel te dragen, mogen ook Kamerleden dromen van een hoofdrol in een parlementaire enquêtecommissie. Montesquieu heeft hun de illusie bijgebracht dat de Vertegenwoordiging de bureaucratie zal laten sidderen. Maar de hemel sta ons bij als alle kwesties die zich voor een parlementaire enquête lenen ook allemaal op die manier worden behandeld. Ik moet er niet aan denken dat alle Kamerleden zich een Elliot Ness voelen en elkaar bij de microfoons verdringen om getuigen uit te wringen. Ik hou nu al mijn hart vast als ook de pro forma-leden van de Bijlmercommissie hun mond opendoen en niet blijken te beseffen dat zwijgen effectiever is dan het stellen van irrelevante vragen. Het is al heel wat dat een commissie van vijf één effectieve ondervrager in haar midden heeft, en het kan soms van een goede werkverdeling getuigen als de overige leden het vragen stellen in het openbaar aan dat ene lid van de commissie overlaten.

Als de Tweede Kamer een groot aantal juristen zou tellen die in een vorig leven ervaring met ondervragen hebben opgedaan, hetzij als rechter, hetzij als officier van justitie of advocaat, zou het een goed ding zijn om veel meer parlementaire enquêtes te houden en een deel van de volksvertegenwoordiging vrij te stellen van de wetgevende arbeid. Maar juristen zijn in de Tweede Kamer schaars, en geboren ondervragers die zich meten kunnen met vroegere parlementariërs als Theo Joekes of Marcel van Dam zijn op de vingers van een hand te tellen. De Bijlmercommissie heeft die tekortkoming pijnlijk geïllustreerd. Ondanks de hulp van een professionele souffleur van de recherche, worden te vaak verkeerde vragen gesteld; vragen die niet terzake doen of niet gesteld hadden mogen worden. Te vaak is aan getuigen gevraagd wat zij van iets vinden (mening), in plaats van wat ze waargenomen hebben (feiten). Een enquête moet over feiten gaan, niet over meningen.

Toch doet dit alles niets af aan het feit dat de politieke democratie profijt van een goede toepassing van het enquêterecht kan trekken. Het is goed voor de Kamer, maar ook voor de minister. Een enquête verschaft de minister inzicht in zijn eigen departementale doolhof en vooral in de informatiestructuren waarvan hij afhankelijk is. Ambtenaren kunnen er niet langer zeker van zijn dat zij met de halve waarheid aan hun minister voor de dag kunnen komen en de andere helft kunnen achterhouden. Enquêtes zijn niet alleen geïnteresseerd in de waarheid van de minister maar ook in de ambtelijke leveranties van de waarheid. Hoe meer parlementaire enquêtes, hoe minder halve antwoorden de Kamer zal accepteren, en hoe minder loze toezeggingen een minister kan doen. Ambtenaren die wat te verzwijgen hebben zullen ontdekken dat de lange arm van de parlementaire enquête hen vroeger of later zal weten te vinden.