Een strenge fotopionier

Een van de grote 20ste-eeuwse pionierfotografen, Andreas Feininger, is naar vandaag bekend werd op donderdag 18 februari jongstleden in een New-Yorks ziekenhuis overleden. Hij is 92 jaar geworden en laat als een grondlegger van de moderne reportage-fotografie tientallen monumentale fotoboeken na.

Feininger behoort tot die generatie kunstenaars, wier biografie zich laat lezen als een 20ste-eeuwse, bijna historische avonturenroman. Geboren in Parijs en opgegroeid in Berlijn, kreeg hij net als zijn schilderende vader Lyonel Feininger zijn opleiding aan het Bauhaus in Weimar. Een betere experimentele leerschool was er dankzij docenten als Marcel Breuer en Joseph Albers nauwelijks denkbaar. Niet alleen in de fotografie, Feininger studeerde er met name architectuur en kunstnijverheid. In beide disciplines zou hij zich korte tijd specialiseren – als meubelmaker en als assistent van Le Corbusier in Parijs.

Maar de fotografie, die hem in Weimar al aanzette tot het vastleggen van toen veelbelovende industriële producten als auto's, liet hem niet meer los. Vanaf 1936, inmiddels in Zweden beland, koos hij definitief voor dit medium. En dat hij er ook technisch alles van kwam te weten, blijkt uit de diverse handboeken die hij er later over publiceerde.

Zoals vele Europese collega's, onder wie Erwin Blumenfeld en André Kertész, nam ook Feininger vanwege de oorlogsdreiging eind jaren dertig de wijk naar Amerika. Het tijdschrift Life wist de freelancer al snel aan zich te binden. Zijn relatie met Life duurde twintig jaar en heeft in grote mate aan de bekendheid van zijn werk bijgedragen. Hoewel er geen onderwerpen waren waar Feininger zijn neus voor ophaalde – reden waarom hij ook niet direct met een bepaald thema wordt geassocieerd –, legde hij zich eerst vooral toe op de zinderende avenues van New York, het eeuwige spitsuur van Manhattan en op de bedrijvigheid van de haven, waar de stoom van vracht- en passagiersschepen, neergevleid aan de voeten van zijn nieuwe geometrische horizon, hem alle grijstonen opleverden die een fotograaf zich kan wensen.

`Fotografie was de enige taal die over de gehele wereld begrepen werd', vond Feininger, en die taal diende `helderheid, eenvoud en structuur' te hebben, zonder ten koste te gaan van de inhoud. Of het nu close-ups van schelpen, stenen, vlinders, tulpen en planten waren, fotoreizen door lege landschappen met wervelende wolkenhemels, begraafplaatsen of een nieuwe kustwacht-helicopter, waarvan de met lampen uitgeruste wieken 's nachts een choreografie van licht te zien gaven, Feininger bleef in die stelregels streng voor zichzelf als een betrokken verslaggever, maar ook als perfectionistische componist van beelden, die de tijd gemakkelijk trotseren.

Zijn beroemdste foto is een van zijn zelfportretten: een zwart eivormig hoofd met pal daarop een Leica-lens, The photojournalist uit 1955. Het werd zijn Life-beeldmerk, en symboliseert nog steeds de ultieme symbiose tussen het spiedende fotografenoog en buitenwereld, die voor Feininger levenslang in kleur en zwart-wit bezienswaardig bleef.