Een maaltje zeehond

`Op Groenland is een zeehond zoiets als een aardappel hier', kopte een Groningse krant onlangs. Die uitspraak werd uit mijn mond opgetekend; een journalist wilde graag weten wat mij, afkomstig uit het noorden des lands, trok in het echte Hoge Noorden. Ik zei daarop dat de wadden voor mij de ondergrens waren van dit gebied; dat het kustklimaat, de trekvogels, de historie van walvisvaart en ontdekkingsreizen, de eilanders die vanaf het bankje in de haven de aankomst van de boot vol badgasten bekeken, naar hogere breedtegraden verwezen.

Ik noemde de eidereenden die op Vlieland broeden en waarvan de eieren, tot ontzetting van Jac. P. Thijsse, door de bevolking gegeten werden. En ik memoreerde dus het feit dat op Groenland de zeehond tot het basisvoedsel behoort. In een dorp als Scoresbysund, aan de oostkust, waar ruim 400 mensen wonen, worden jaarlijks tussen 6.000 en 7.000 zeehonden afgeschoten. Maar ook in het zuiden en westen van Groenland, waar visserij de jacht van de eerste plaats heeft verdrongen, staren zeehondjes ons op de markt met grote dode ogen aan.

Vroeger waren er ook in het waddengebied robbenjagers actief, voegde ik er aan toe, `al is Lenie 't Hart dat misschien vergeten.' (Er gaan momenteel zelfs stemmen op om die jacht, vanwege de snelle groei van de robbenstand in de Waddenzee, weer te openen.)

Prompt na verschijning van het interview kreeg ik een informatiemap van de Zeehondencrèche in Pieterburen toegestuurd. Plus een berispend briefje van Lenie, met daarin de suggestie mij eens in de doelstellingen van de crèche te verdiepen. Overigens waren mijn opmerkingen helemaal niet als kritiek aan haar adres bedoeld: ik wilde slechts op de verschillende en wisselende houding tegenover de zeehond wijzen.

Want daar heb ik in de praktijk het een en ander van meegemaakt. Niet op Groenland, maar op IJsland. In de verlatenheid van Oost-IJsland, op Húsey, leeft, omringd door toendra, gletsjerstromen en besneeuwde bergen, een boer die zich met jagen en verzamelen in leven houdt. Hij raapt eieren, schiet ganzen, vangt forel, zalm en jonge zeehondjes en verzamelt drijfhout dat uit het verre Siberië op de kust voor zijn huis aanspoelt. Zijn paarden staan ter beschikking van de gasten die wel iets zien in een vakantie aan het eind van de wereld.

Toen een wandelclub mij in de gelegenheid stelde mijn eigen IJsland-reis samen te stellen, nam ik Húsey meteen in het programma op. Ter plekke is bijna iedereen onder de indruk van het landschap en de vergezichten. Niemand kijkt er vreemd van op dat boer Orn Thorleifsson graag over elfen vertelt. Kom je met hem langs de `elfenrotsen' – kale, door landijs bekraste bultrotsen - dan legt hij daar altijd even zijn hand op – je voelt dan `hoe de kracht naar binnen stroomt'. Maar dat hij zeehondjes doodt, en zelfs als voedsel aanbiedt, zorgt steevast voor veel opwinding en discussie in de groep.

Elk voorjaar komen de robben naar de zandbanken in de rivieren om daar hun jongen te werpen. Als die op een bepaald moment door hun moeders verlaten worden, slaat de boer toe. Zo gaat dat hier al sinds de Middeleeuwen. Maar voor menig stadsmens uit Europa is het doden van zeehondjes een steen des aanstoots. Toen onze kok voorstelde om gebraden zeehond op te dienen, leidde dat prompt tot een scheiding der geesten. Sommigen vonden het hypocriet om wel lammetjes te eten maar geen zeehondjes. Anderen zagen niet in waarom ze opeens bepaalde grenzen zouden moeten overschrijden. In China ging je toch ook geen gebakken straathond eten?

Soms gooit de boer zelf extra roet in het eten. Zo kwam hij een keer tegen etenstijd met een trillend beestje in zijn armen aanzetten dat hij net uit een van zijn visnetten bevrijd had.

`O, wat is hij bang!' riep een jonge vrouw die het dier wilde aaien. Onmiddellijk sperde de rob zijn als met rood fluweel beklede bek open en probeerde haar te bijten.

`Het is geen schoothondje', lachte de boer. 'Hij is ook niet bang, maar hij is volkomen uitgeput door zijn gevecht met het net.'

Ondanks zijn tegenvallende aaibaarheid, vreesde iedereen dat de boer de schedel van de stakker zou inslaan. Daar was geen sprake van. Hij werd in een vijver losgelaten en zou de volgende dag weer naar zee gebracht worden.

Toch was er die avond weinig belangstelling voor het kleine donkere gebraad dat de kok opdiende.