Een dribbelaar tussen de mouwopstropers

FC Utrecht staat voor fysiek voetbal. Tussen de mouwopstropers valt Didier Martel uit de toon. Wie is deze 27-jarige Franse dribbelaar met die fluwelen traptechniek? ,,Hij is een uitdaging voor elke trainer.''

Zoals voorstopper Henny van Schoonhoven beantwoordt aan de vooroordelen van een Utrechtse straatvechter, zo is Didier Martel het prototype van een Franse zonnekoning. Parmantig paraderend in de Hollandse kleigrond, het haar stijlvol achterover gekamd, de trainingsbroek onbevlekt in de wasmachine. Op een doordeweeks partijtje ontwijkt hij de charges van zijn ploeggenoot Van Schoonhoven, die hem vervolgens in gebrekkig Engels enkele tactische adviezen geeft. Martel luistert geduldig en zegt later: ,,Iedereen is hier heel sympa.''

Van Schoonhoven voetbalde tot afgelopen zomer bij de amateurs van Elinkwijk. Hij kreeg op 28-jarige leeftijd een profcontract aangeboden en kon zijn baan als plafondbouwer met een gerust hart opzeggen. Hij raakte onder de indruk van de voetbalkwaliteiten van Martel, die een paar maanden geleden op proef kwam bij FC Utrecht. ,,Als jullie hem niet kopen, koop ik hem zelf'', zei Van Schoonhoven tegen technisch-directeur Hans van Breukelen.

Martel debuteerde vlak voor de winterstop met een invalbeurt tegen Sparta. Hij toonde zijn traptechniek met een fraai ingeschoten vrije trap en zijn dribbels waren een lust voor het oog. Afgelopen zondag scoorde hij tegen Heerenveen opnieuw met een afstandsschot. Maar hij leed in deze wedstrijd opvallend veel balverlies. Pas toen de flegmatieke aanvaller slidings ging maken, kreeg hij applaus van het publiek. Allez Didier, klonken de aanmoedigingen in Nieuw-Galgenwaard.

Trainer Mark Wotte van FC Utrecht had zich niet vergist, toen hij begin december videobeelden van Martel onder ogen kreeg. ,,Hij is zonder meer een bezienswaardigheid. Hij is tweebenig en heel snel met de bal aan de voet. Hij moet alleen stabieler worden in zijn prestaties.'' Wotte betitelt Martel als ,,een lastige speler en daarom een uitdaging voor elke trainer''. Hij verdenkt hem niet van sterallures. ,,Didier heeft zijn wilde haren afgeknipt. Hij gaat naar Nederlandse les en dat heb ik wel eens anders meegemaakt met buitenlandse spelers. Vooral de Afrikanen zijn minder leergierig.''

Middenvelder Alfons Groenendijk krijgt tijdens het middagmaal Franse les van Martel. Van Schoonhoven blijft de volksjongen die graag grappen maakt. ,,Of ik Frans ken? Ik ken alleen Frans Adelaar'', zegt hij met onvervalste Utrechtse tongval. Adelaar speelde in de jaren tachtig op het middenveld bij de plaatselijke FC. Van Schoonhoven zat destijds met zijn vrienden op de Bunnik-zijde.

Martel had tot december '98 nog nooit van FC Utrecht gehoord. Hij was ook nog nooit in Nederland geweest. ,,Ik kende de verhalen over tulpen en drugs en ik kende Hans van Breukelen van de televisie. Toen ik hoorde dat hij bij deze club directeur is, besloot ik het avontuur te wagen. Zo'n beroemdheid zal toch niet zo gek zijn om bij een waardeloze club te werken.''

Omgekeerd liet Van Breukelen zich informeren door Addick Koot, een kenner van het Franse voetbal en zijn voormalige ploeggenoot bij PSV. ,,Ik kreeg een positief advies over een transfervrije speler en dan moet je snel handelen'', zegt Van Breukelen.

Martel ging op zijn vijftiende naar de befaamde jeugdopleiding van Auxerre, waar hij voetballessen kreeg van Guy Roux. Deze talentenkweker stuurde de armlastige moeder van Martel (zijn vader was overleden) elke maand een financiële bijdrage. Zijn eerste profcontract verdiende hij bij Nîmes, waar hij speelde met de latere coryfeeën Eric Cantona en Laurent Blanc. Voor zijn komst naar FC Utrecht voetbalde Martel bij Châteauroux en Paris Saint Germain. Bij PSG moest hij concurreren met de vedetten Marco Simone, Daniel Okocha en Patrice Loko. Martel werd bankzitter en ging op zoek naar een andere club. ,,Ik wil hier per se slagen'', zegt hij vastberaden.

Martel is een product van de Franse voetbalschool. Hij ziet veel parallellen met de Nederlandse manier van spelen (technisch en tactisch) en hij zou ,,voor geen goud'' in Engeland of Duitsland willen voetballen. Toen een delegatie van Club Brugge twee weken geleden, na de bekerwedstrijd tegen Feyenoord, voorzichtig polste of hij geen belangstelling had voor een tussentijdse overgang naar de Belgische topclub, was Martel vastbesloten. ,,Ik wil de mensen hier vermaken. Het publiek in Utrecht is trouwens fantastisch, schrijf dat maar op! Zelfs na een nederlaag klappen ze. Zoiets heb ik in Frankrijk nog nooit meegemaakt.''

Tijdens zijn eerste kennismaking in de Galgenwaard wekte Martel meteen de lachlust bij zijn collega's. Hij gaf iedereen een hand en herhaalde deze handeling bij de daaropvolgende ontmoetingen. Trainer Wotte attendeerde zijn spelers op de waarde van deze Franse gewoonte en nam Martel in bescherming tegen de cynische Nederlandse voetbalcultuur.

,,Wij denken dat we het altijd beter weten'', doceert Wotte. De trainer deed eindexamen Frans op het Atheneum en vierde regelmatig een vakantie in Frankrijk. Op de training spreekt hij voornamelijk Nederlands. Hij beperkt zich tot enkele complimenten in het Frans. ,,Bien joué, Didier'', zegt hij na een spaarzaam balcontact van Martel.

De Franse inbreng blijft op deze gure ochtend beperkt tot tikjes breed. Het veld is bijna onbespeelbaar en vooral geschikt voor bikkelaars zoals Van Schoonhoven. De stoere stopper maant de spelers die hetzelfde hesje dragen tot `kletsen' en `schaven'. Of Van Schoonhoven denkt dat Martel zijn adviezen begrijpt? ,,Als je maar hard genoeg schreeuwt, wordt iedereen vanzelf wakker.''

    • Jaap Bloembergen