Wederzijds onbehagen

Soms zie je op het eerste gezicht aan een artikel dat het belangrijk is. Dat er diep over is nagedacht. Dat er hard is geprobeerd het goed op te schrijven – overigens zonder dat dat is gelukt. Maar ook slecht geschreven stukken kunnen inspireren.

Ik heb het over een ingezonden artikel op de Forumpagina van de Volkskrant van 16 februari jl. Twee flinke kolommen aan de linkerkant, onder de kop: `Media schieten met losse flodders op allochtonen'. Opvallend was dat de auteur niet werd geïntroduceerd. Mercita Coronel, stond er vet gedrukt, maar onderaan het verhaal geen uitleg. Heeft ze een functie, is ze ergens werkzaam, schrijft ze vanuit een bepaalde hoedanigheid, is ze een vaste columniste? Misschien dat de redactie het niet nodig vond iets meer te vertellen over Mercita Coronel dan zij zelf in het stuk al deed. Al in de tweede zin staat dat ze allochtoon is. In de derde zin onthult ze dat ze zich tot haar dertiende `Nederlandse' voelde, maar in dat levensjaar `wreed in deze illusie werd verstoord'. ,,Nog niet boven de toonbank uitkomend en met het boodschappenbriefje in de hand werd ik bij slager Steenbergen beticht van voor mijn beurt gaan met de opmerking: `Misschien is dat in jouw land normaal, hier niet. Je moet maar teruggaan'.''

Voor het eerst besefte ze dat het met haar huidskleur te maken had en ze schrijft: ,,Gedesillusioneerd en gekwetst sloot ik daarna de deur van mijn hart voor Nederland.''

Dat is een loodzware zin en een tamelijk buitensporige conclusie, maar wat mij intrigeert is dat hiermee het dilemma van de tweede generatie allochtonen duidelijk wordt. Ik kwam rond mijn twintigste naar Nederland. Ik verliet een land waar nergens anders over wordt gepraat dan de raciale afkomst. Je bent Hindoestaan, creool of Javaan. Daarmee is alles bekend: je aard, je karakter, je loyaliteit en waar je zult eindigen in het leven. In Nederland verbaasde het me dat er zo weinig over ras en huidskleur werd gesproken. Dat er zo weinig werd gescholden en dat etniciteit niet het eerste en allerhoogste criterium was voor het oordeel. De Nederlanders vielen me dus alleszins mee, omdat ik niet zulke hoge verwachtingen van ze had.

Met de tweede generatie, de kleurlingen die hier worden geboren, ligt het blijkbaar anders. Hun uitgangssituatie is die van de raciale onschuld, lijkt het, althans die van de irrelevantie van cultuur en etniciteit. Ze voelen zich een tijd lang `Nederlands', waaronder ik moet begrijpen: blank. En dan komt op jeugdige leeftijd de schok, de totale ommekeer, de ervaring dat iemand je pas op latere leeftijd een spiegel voorhoudt. Je schrikt je wild en trekt een extreme conclusie die in de meest dramatische taal wordt vervat: ,,Ik sloot de deur van mijn hart voor Nederland.''

Eerlijk gezegd had ik altijd gehoopt dat de tweede generatie allochtonen in Nederland succesvoller zou zijn dan de eerste. En met succesvol bedoel ik: soepeler in de omgang met de heersende, zeg maar `dominante' cultuur. Fijnzinniger in het jongleren met strijdige waarden en denkbeelden, speelser in het voortdurende op en neer gereis tussen etnische wereldjes, tussen buurthuis en bibliotheek, tussen moskee en disco. Een hoofddoekje op Id-Ul-Fitr en een bikini in Zandvoort. Want wat is het nou allemaal anders dan spielerei, een groot doen alsof. Wij doen alsof we zwart zijn en zij doen alsof ze wit zijn. En uiteindelijk maakt het helemaal niets uit omdat we elkaar kennen, elkaar doorzien en onszelf en elkaar in alle vriendelijkheid kunnen uitlachen.

Maar niks daarvan. Het is allemaal zwaar en ernstig en dramatisch, zoals ik bij Mercita Coronel lees. Ze wijst op enquêtes waaruit blijkt dat autochtonen alle criminaliteit toeschrijven aan allochtonen en op de nieuwste mode in de media om zonder enige terughoudendheid te foeteren op migranten.

En van de weeromstuit voelt Mercita Coronel zich onveilig. ,,Elke dag wanneer ik een krant of tijdschrift opsla ben ik bang, knijpt mijn hart samen en denk ik, wat zal men nu weer, onder het mom van het afschaffen van het politiek correcte denken, over mij schrijven.''

Zou het waar zijn, zou ze zich echt onveilig voelen? Ik probeer het me voor te stellen – en het vreemde is dat dat uiteindelijk lukt. Als ik erg mijn best doe kan ik dat onveilige gevoel begrijpen, zowel van de ene als van de andere partij. In Nederland wordt de laatste tijd erg veel over ras en afkomst gepraat, meestal in bedekte en indirecte zin, als men het bijvoorbeeld heeft over asielzoekers en of `wij' wel verantwoordelijk zijn voor het lot van die mensen die beter in `hun eigen regio' kunnen worden opgevangen, enzovoort.

Maar onveilig is niet helemaal het woord. Het is een wederzijds onbehagen. Net zoals Mercita Coronel op haar dertiende plotseling merkte dat ze allochtoon was, merken de Nederlanders plotseling dat ze autochtoon zijn. Ook zij schrikken van hun kleur, van hun blank-en-dus-anders-zijn, en dat merk je tegenwoordig in de kranten en tijdschriften. Al die lieden die met zoveel wellust het politiek correcte denken bestrijden, ik denk dat zij nu pas in de spiegel hebben gekeken en merken dat zij `Nederlandser' zijn dan de Marokkanen en Antillianen die hier wonen.

Tja, het moest een keer gebeuren. Het wachten is alleen op schrijvers die een taal vinden om dat onbehagen zodanig te beschrijven dat het op den duur overgaat. Wat nu gebeurt is dat het onbehagen stevig wordt aangewakkerd, zowel door de schrijvers en journalisten die Mercita Coronel beschuldigt, als door Mercita Coronel zelf. Want dat is het tragische aan haar artikel: dat ze kwalijke gevoelens in de samenleving signaleert en ze op een paradoxale manier ook deelt.

Zelf ben ik ervan overtuigd dat wij elkaar het onbehagen aanpraten. En liever had ik gewild dat wij elkaar wijsmaakten dat etnische verschillen grappig en plezierig zijn. Maar zover zijn we in Nederland nog lang niet. Laten we echter, in afwachting van dat moment, voorlopig vooral geen deuren en kieren sluiten, noch van hart, noch van verstand.