MENDELSSOHN

De romanticus Felix Mendelssohn Batholdy (1809-1847) ervoer de natuur en de door `luchtwezens' bevolkte metafysische wereld als één geheel, waaruit hij inspiratie putte voor werken als zijn Octet (1825) en de Sommernachtstraum-ouverture (1826). Voor Mendelssohn was de natuur iets literairs en betoverends. Maar voor John Eliot Gardiner, die zijn uiterst succesvolle dirigentenloopbaan afwisselt met periodes waarin hij zich terugtrekt op zijn Engelse boerderij, is de natuur meer een toevluchtsoord om te relaxen, om met laarzen aan door de klei te stampen en zijn beesten te voederen. De natuur helpt hem met beide benen op de grond te blijven staan.

Deze verschillende belevingswerelden maken dat de 19de eeuwse componist en de 20ste eeuwse dirigent in hóórbare mate aan een soort `onverenigbaarheid van karakters' lijden. Het ontbreekt de eerste Mendelssohn-opname van Gardiner aan die literaire verfijning, die dromerige puurheid en die bijna dandy-achtige elegantie die tot het wezen van Mendelssohns muziek behoren.

Vitaliteit is Gardiners handelsmerk, dus onder zijn handen bruist Mendelssohn van energie en levenslust. Maar de slotnoot van het openingsdeel van de Italiaanse symfonie lijkt wel een boerentrien die op haar achterste neerploft, en het Allegro vivace uit de Reformatie symfonie heeft veel weg van een klompendans.

Ondanks het superieure orkestspel van de Wiener Philharmoniker, overheerst in Gardiners benadering een aardse, recht-toe-recht-aan mentaliteit en dat valt slecht te rijmen met de feeërieke dromerijen van Mendelssohn. Interessant aan Gardiners Mendelssohn-opname is wel dat hij behalve de gangbare versies van de Italiaanse symfonie (1833) en de Reformatie symfonie (1830) ook een door Mendelssohn zelf herziene versie uit 1834 van de Italiaanse symfonie heeft opgenomen. In tegenstelling tot wat DG beweert betreft het hier geen `world-première recording', want deze versie werd al in 1994 opgenomen door de Hamburger Philharmoniker o.l.v. Gerd Albrecht (Capricio 10 449).

Aardig aan Gardiners opname is wel dat de twee versies voor het eerst op één cd staan, zodat de luisteraar beide versies optimaal kan vergelijken. Mendelssohn bleef soms jaren aan een stuk schaven, ook na publicatie. Mendelssohns zusje en muzikale mentor Fanny begreep niets van deze neiging `succesvolle stukken te herschrijven.' Zo was de eerste versie van de Italiaanse symfonie volgens Fanny veel sterker dan de versie uit 1834, waarbij de laatste drie delen ingrijpende veranderingen ondergingen op het gebied van melodievorming, instrumentatie, harmoniek en ritmiek. En inderdaad, ondanks Mendelssohns inspanningen om vorm en inhoud te comprimeren, maakt Gardiners cd duidelijk dat de originele versie van de Italiaanse symfonie frisser en spontaner klinkt.

Wiener Philharmoniker o.l.v. John Eliot Gardiner: Symfoniëen nrs 4 en 5. DG 459 156-2