G7 eens over instelling van `stabiliteitsforum'

De zeven belangrijkste industrielanden (G-7) willen een `forum' oprichten dat toeziet op de financiële markten en grote crises kan beteugelen. Dit hebben de ministers van Financiën en de centrale bankiers van de Groep van Zeven zaterdag tijdens een bijeenkomst op de Petersberg in Bonn afgesproken. Het plan voor een `forum voor stabiliteit op de financiële markten', ontwikkeld door Bundesbankpresident Hans Tietmeyer, werd unaniem door de zeven landen (VS, Groot-Brittannië, Duitsland, Frankrijk, Japan, Italië en Canada) aanvaard.

Tietmeyer zei dat het `stabiliteitsforum' de internationale kapitaalstromen doorzichtiger moet maken en toezicht dient te houden op het minimum aan spelregels op de financiële markten. Het forum moet vooral de werkzaamheden coördineren van de verschillende internationale financiële instellingen om te voorkomen dat deze langs elkaar heenwerken.

Het forum staat onder leiding van Andrew Crockett, voorzitter van de Bank voor Internationale Betalingen (BIB) in Bazel en zal daar een `klein secretariaat' hebben. Deelnemers zijn de plaatsvervangers van de ministers van Financiën van de G-7, de centrale bankiers, vertegenwoordigers van toezichthoudende beursorganisaties, Internationale Monetaire Fonds (IMF) en Wereldbank.

Het forum zal zich volgens Tietmeyer allereerst richten op de bestrijding van ,,één belangrijke oorzaak van financiële crises'': de hoogst speculatieve hedgefondsen, die in korte tijd tot grote instabiliteit op de internationale beurzen kunnen leiden. Dit wordt het belangrijkste thema op de agenda van de eerste bijeenkomst van het forum, die in april is gepland.

Verder willen de zeven landen een schuldeninitiatief ontwikkelen voor de arme landen, waarover bondskanselier Gerhard Schröder (SPD) in juni op de G-7 van staats- en regeringsleiders in Keulen meer bekend zal maken. Schröder heeft eerder al laten weten een aantal arme landen de schulden te willen kwijtschelden.

De bijeenkomst van de G-7 heeft voorlopig een eind gemaakt aan een debat over een strengere regulering van de financiële markten door de staat, die vooral door Duitsland en Frankrijk werd bepleit. Zo heeft Oskar Lafontaine, de Duitse minister van Financiën, herhaaldelijk gepleit voor het instellen van doelzones ofwel beperkte bandbreedtes waarbinnen de euro, dollar en yen zouden moeten zweven. Hoewel ook Frankrijk zich heeft uitgesproken voor sterkere regulering van de internationale financiële markten, plaatste de Franse minister van Financiën Strauss-Kahn bij het instellen van doelzones zijn vraagtekens. Maar het waren vooral de VS die tegen de plannen te hoop liepen.

De Amerikaanse minister van Financiën Rubin verklaarde uitdrukkelijk zich tegen iedere poging te verzetten om doelzones in te stellen of de wisselkoersen te sturen via interventies van staat of centrale banken. Een ,,fundamentele economische politiek'' is volgens Rubin de beste manier om stabiliteit op de markten te bewerkstelligen. Elk land moet zelf zijn huiswerk in orde hebben: financieringstekorten terugdringen, de arbeidskosten onder controle houden en de arbeidsmarkt flexibel maken zodat meer banen worden geschapen. Zodra overheden het niveau van de valuta moeten verdedigen, dreigt volgens Rubin het gevaar van renteverhoging waardoor de economische groei wordt aangetast. Op 11 maart zal in Bonn wel een werkgroep van de G-7 bijeenkomen om zich te beraden over de wisselkoersen waaraan ook landen uit de opkomende economieën in Latijns Amerika en Azië zullen deelnemen.

Rubin wees in Bonn op de aanhoudend sterke groei in de Verenigde Staten. Daarmee levert Amerika zijn aandeel aan de internationale economie. Ook over Japan toonden de landen zich voorlopig tevreden. Maar de Europese bijdrage aan de wereldeconomie noemde Rubin ontoereikend. Europa moet meer pogingen ondernemen om te importeren, zei Rubin, die doelde op de terugvallende groei in Europa dit jaar. Over de vraag hoe de Europeanen de groei moeten stimuleren ,,is uitvoerig gediscussieerd'', zei Rubin diplomatiek.

Op dit terrein zijn de verschillende opvattingen over hoe de economie moet worden aangejaagd op elkaar gebotst. Lafontaine verklaarde na afloop dat ,,zeer sterke overeenstemming bestond'' over versterking van de binnenlandse vraag, waarop Canada en Amerika bij de Europese landen aandrongen. Lafontaine denkt daarbij onder andere aan vergroting van de koopkracht door loonsverhogingen zoals nu in de metaalindustrie (ruim 4 procent) is afgesproken. Rubin doelt evenwel op een combinatie van sterke belastingverlagingen en structurele hervormingen op de arbeidsmarkt.