De Zuid-Iraakse opstand die te vroeg kwam

De moord, vrijdag, op de hoogste leider van de shi'ieten in Irak heeft een spontane opstand ontketend. Daarop werd de stad Nassiriya omsingeld, van de buitenwereld geïsoleerd en gebombardeerd.

In Bagdad en het zuiden van Irak zijn zaterdag de zwaarste onlusten uitgebroken sinds de volksopstand van 1991, meteen na de Golfoorlog ter bevrijding van Koeweit. Aanleiding was ditmaal de officiële bevestiging van regeringszijde dat Groot-Ayatollah Mohammed Sadek al-Sadr, de hoogste religieuze leider van de Iraakse shi'ieten, vrijdag met twee van zijn zeven zoons in de stad Nayyaf was vermoord. De daarop volgende protestdemonstraties kregen razendsnel het karakter van een spontane opstand. Maar het was een opstand die volgens de oppositie in ballingschap ,,helaas te vroeg kwam'' en bijna overal, behalve in de stad Nassiriya, direct werd neergeslagen.

In twee shi'itische wijken van Bagdad — Saddam City en al-Sholah — kwam het tot schietpartijen, waarbij een onbekend aantal doden en gewonden viel. Met grote felheid ontkende de regering dat er sprake was van onlusten. Zaterdagmiddag werden buitenlandse journalisten dan ook op een door de overheid georganiseerde bustocht meegenomen naar Saddam City, opdat zij zelf zouden zien hoe rustig het daar was. Zij mochten echter niet de bus uit om met mensen te spreken. En zij zagen ambulances af en aan rijden, en heel veel veiligheidsmensen.

Volgens redelijk betrouwbare woordvoerders van de oppositie in Londen werden Saddams veiligheidstroepen aanvankelijk uit Nassiriya gejaagd. Daarop werd de stad omsingeld, van de buitenwereld afgesloten en gebombardeerd. Van andere shi'itische steden, zoals Najjaf, al-Amara en Kerbala, ontbreekt elk nieuws, omdat alle telefoonverkeer daarmee werd verbroken.

De 60-jarige Groot-Ayatollah al-Sadr was bij zijn geloofsgenoten in Irak zeer geliefd. Want in tegenstelling tot veel andere shi'itische geestelijken was hij geen import-Iraniër, maar een Irakees met Arabische ideeën. In de shi'itische wereld buiten Irak speelde hij geen prominente theologische rol. Hij was aanvankelijk niet erg politiek ingesteld, maar stond in nauw contact met de samenleving, zowel op sociaal als cultureel gebied, waardoor hij bij de wat minder orthodoxe shi'ieten eveneens populair werd.

Als imam trok hij bij het vrijdaggebed vele tienduizenden gelovigen. Ongeveer zes maanden geleden liet de regering de geestelijkheid weten dat deze vrijdagsdiensten in Najjaf, Nassiriya en al-Amara gestopt moesten worden. Zoals normaal in Irak, werd daarvoor geen reden gegeven. Iedereen wist echter waar het om ging: die gebedsdiensten trekken veel te veel volk, en het regime houdt, zeker als het zich niet zo op zijn gemak voelt, niet van samenscholingen.

De als a-politiek beschouwde Groot-Ayatollah besloot deze mondelinge instructie niet op te volgen en riep in een fatwa (een religieus decreet) de gelovigen op om juist wél naar de vrijdagsdiensten te komen. Botsingen tussen Saddams veiligheidsdiensten en shi'itische gelovigen waren het gevolg. De regering deed daar niet al te geheimzinnig over, in de hoop daarmee de shi'ieten tot de orde te roepen.

Het tegendeel gebeurde. Groot-Ayatollah al-Sadr deed steeds meer verboden dingen. Zo ging hij, volgens de oppositie in Londen, op 5 februari voor in een dienst in de Koufa-moskee in Nayyaf, die volgens de regering `hersteld' moest worden en dus `tijdelijk buiten gebruik' was. De vrijdag voordat hij in zijn auto werd doodgeschoten, leidde hij in diezelfde moskee opnieuw de gebedsdienst. Omdat hij wist dat hij zijn ongehoorzaamheid duur zou bekopen, had hij alvast zijn witte doodskleed aangetrokken.

Volgens dr. Haidar Abbas, woordvoerder van de shi'itische, in Irak verboden Dawa'a-partij, zei al-Sadr tot de gelovigen dat het hun ,,islamitische plicht'' was naar het vrijdaggebed te komen en dat hij de dienst zou blijven leiden. ,,Wij wisten dan ook de afgelopen twee weken dat hij in groot gevaar was,'' aldus dr. Abbas. ,,Hijzelf zei in zijn laatste vrijdagpreek dat hij verwachtte gedood te worden.''

Saddams verbod op de vrijdagsdiensten was een voorzorgsmaatregel. Volgens dr. Mouafiq Rubaieh, een oprichter van de Dawa'a-partij en thans niet langer partijgebonden, ,,voelt Saddam zich steeds meer bedreigd, terwijl Groot-Ayatollah al-Sadr een steeds grotere aanhang kreeg. Dus moest Saddam hem wel liquideren, opdat hij niet de leider zou worden van een nieuwe volksopstand''.

De nu vermoorde Groot-Ayatollah was de opvolger van de in 1992 overleden Groot-Ayatollah Abou Kassem Khuoy, die bepaald niet gecharmeerd was van Imam Khomeiny's Islamitische Revolutie, omdat deze in strijd zou zijn met bepaalde shi'itische beginselen. Hoewel Khuoy ook niets van Saddam moest hebben, hield hij zich rustig en overleed hij op hoge leeftijd in bed.

Hij was een uitzondering. Al eerder werden hoge shi'itische geestelijken door het regime in Bagdad geliquideerd omdat zij oproerige taal uitsloegen. Zoals Groot-Ayatollah Mohammed Baqr Sadr, een neef van de thans vermoorde Groot-Ayatollah, die in 1979 met zijn zuster beestachtig werd doodgemarteld. Het was voor Saddam, die toen op alle sympathie en steun van het Westen kon rekenen, geen probleem om enige tijd later officiëel mee te delen dat hij `deze agenten van Iran' had laten executeren.

Nu echter de VS en Groot-Brittannië een groot deel van Zuid-Irak tot verboden gebied hebben verklaard voor Iraakse vliegtuigen en helikopters – officiëel om de shi'itische bevolking daar tegen Saddams uitroeiingspolitiek te beschermen – kon de regering onmogelijk zeggen dat ook deze Groot-Ayatollah wegens hulp aan de vijand was gedood. Dus was er ditmaal sprake van een buitenlands complot ,,om onenigheid en opstand te zaaien in ons verenigde volk''. Een deel van de bende zou al zijn opgepakt. Het Ministerie van Informatie liet weten de moordenaars van al-Sadr en hun opdrachtgevers te vervloeken. En de Iraakse media meldden dat de moorden ,,door de Duivel geïnspireerd'' waren. Volgens de regeringskrant al-Jumhuriya zaten ,,het imperialisme, het zionisme en allen die hen bijstaan'' achter het complot.

Vorige maand werd, kennelijk als waarschuwing, al een afgevaardigde van de Groot-Ayatollah om het leven gebracht. En afgelopen jaar rekende het regime in Bagdad af met twee Ayatollahs van Iraanse afkomst. Op die manier hoopt Saddam de shi'ieten te ontdoen van hun natuurlijke leiders in tijden van crisis, en hen zo ongevaarlijker te maken. Gehoorzame Ayatollahs mogen daarentegen in leven blijven.

Hoe ongerust Saddam zich maakt over de loyaliteit van zijn shi'itische onderdanen, blijkt uit het verbond dat hij vorig jaar sloot met sunnitische stamhoofden in Centraal-Irak. Hij gaf hun grote sommen geld en voerde in hun gebieden opnieuw de stamwetgeving in die in 1958 was afgeschaft. Tegelijkertijd nam hij hun zoons in gijzeling om te garanderen dat hun vaders zich gedroegen.

In ruil voor Saddams goede gaven zegde elke aldus benaderde sjeik hem een groot aantal stamleden toe. Deze kregen een militaire opleiding en treden nu, uitstekend betaald, op als extra veiligheidsdienst met de opdracht de shi'ieten eronder te houden. De afgelopen dagen zorgden zij voor de door Saddam zo gewenste orde en rust onder de 14,5 miljoen Iraakse shi'ieten — naar schatting 65 procent van de totale Iraakse bevolking.