De perfecte koe

Hij moet er lang gelegen hebben, neus in het gras, camera in de aanslag, terwijl zijn knieën en ellebogen langzaam pijnlijk werden. Misschien was hij ook wat angstig, want stel dat die koe een onverhoedse beweging zou maken. Maar de koe bleef rustig grazen en op een gegeven moment drukte Aart Klein af. Nu staat de foto die Klein in 1966 maakte in een Zeeuws weiland in het speciale nummer dat Kunstschrift aan hem heeft gewijd: een perfecte, monumentale koe, zowel standbeeld als zuivelfabriek en tegelijk een prachtige combinatie van wit en zwart. Zoals veel fotografen heeft Klein weleens gezegd dat hij het beeld al voor zich zag voordat hij de foto maakte en alleen maar moest wachten tot hij het kon vastleggen. Bij het zien van deze foto kun je je voorstellen dat Klein vooraf heeft bedacht de perfecte koe vast te leggen - en daar is hij nog in geslaagd ook.

De foto van de koe vertegenwoordigt vooral het nuchtere, zakelijke gedeelte van Kleins oeuvre. De fotograaf haalde zijn inkomsten, net als generatiegenoten als Cas Oorthuys, Carel Blazer en Ad Windig voor een groot deel uit opdrachtfotografie - van advertenties voor theemutsen en gebreid kinderondergoed tot reportages over de marine en de voorjaarsschoonmaak. Maar er was ook een andere, veel esthetischer kant aan Kleins werk. Dat zijn meestal ook zijn bekendste foto's, zoals die van het oorlogskerkhof in Margraten, waarop de kruizen in lange, kromme lijnen tegen een donkere lucht staan opgesteld, pikzwart aan de voorkant, hard wit aan de zijkant. Zeker zo bekend zijn Kleins foto's van de Deltawerken, waarin de dammen er uitzien als betonnen paleizen, geflankeerd door hijskranen en een enkele minuscule arbeider. Het zijn foto's waarin je Kleins neiging om naar vooraf bedachte beelden op zoek te gaan, goed kunt zien. Klein houdt van scherpe contrasten tussen het zwart en het wit op een foto, wat het beste naar voren komt in zijn beroemde foto Betonvlechters, Haringvlietdam uit 1966, waaruit alle grijs is verdwenen; de drie vlechters en hun ijzeren stangen staan op de foto alsof ze door een silhouetknipper uit het papier zijn bevrijd. Juist om die voorkeur voor zwaar aangezette contrasten wordt Klein beschouwd als een van de voornaamste Nederlandse vertegenwoordigers van de zogenaamde `Subjektive fotografie' een begrip dat gepromoot werd door de Duitser Otto Steinert en die het uiteindelijk beeld stelde boven de waarheidsgetrouwheid ervan. Vooral aan de Margraten-foto's is dat goed te zien: hier heeft Klein het licht, zowel bij het fotograferen als het afdrukken, zo gemanipuleerd dat het lijkt of de kruizen door een morbide striptekenaar zijn neergezet.

Gelukkig heeft de Kunstschrift-redactie Kleins werk alle ruimte gegeven, want op de teksten in dit nummer is nogal wat aan te merken. Wat vooral opvalt is dat een, al is het maar korte, biografische schets of nog liever een interview met Klein ontbreekt. Iedere auteur lijkt er vanuit te gaan dat de lezer Kleins levensloop wel zo'n beetje voor ogen heeft en dat is jammer voor een tijdschrift dat juist als introductie op Klein en perfect `bewaarnummer' had kunnen zijn. En dat wordt er niet beter op doordat er slordig geschreven wordt met vooral veel lelijke beeldspraak (`Maar in de dagelijkse werkelijkheid is de Nederlandse soep nooit zo heet gegeten' of, als eerste zin van en artikel over Kleins opdrachtwerk: `Binnen de toegepaste fotografie van na de oorlog bekleedde Aart Klein een eigen nis') Door dit soort onvolkomenheden is dit Kunstschrift-nummer niet het definitieve Aart Klein-dossier geworden dat het met gemak had kunnen wezen. Maar wel mooie foto's.

Kunstschrift 1999/1: Aart Klein. Uitg SDU, 58 blz. Prijs ƒ17,25