De gelovigen

De meeste mensen zijn onbegrijpelijk behulpzaam als zij journalisten aan de telefoon krijgen die iets willen weten, maar onlangs trof ik een mijnheer die dat niet was. Waarom ik het artikel in kwestie wilde schrijven, vroeg hij wantrouwig. Naar eer en geweten antwoordde ik: ,,Om de lezers te verstrooien.''

Verstrooien! Dat vond mijn zegsman een heel verwerpelijk streven. Dáár wenste hij niet aan mee te werken. Een voorzichtige tegenvraag, waarom hij dan dacht dat de meeste krantenartikelen werden geschreven, mocht niet baten. Ik moest maar iemand anders zoeken voor het amusement. Dag mevrouw.

Wat had de man willen horen? Vast niet dat schrijven mijn werk is, en winst maken het oogmerk van mijn broodheren. Nee, ik had over informatievoorziening moeten spreken. Informatie, daar is iedereen vóór. En cultuur natuurlijk, dat mag ook in de krant. Waartoe die twee zaken dan op hun beurt dienen is geen geldige vraag.

Over de zin van het culturele bedrijf bestaan grote illusies. Niet alleen bij leken zoals de man die ik telefonisch overrompelde, maar ook bij velen die er middenin zitten, en van wie je verwacht dat ze wijzer zijn. Zo is er de laatste tijd veel te doen over de literatuur. Men maakt zich zorgen over haar niveau, benevens dat van de critici.

Zomaar een beetje leuke stukken schrijven, verklaarde de schrijver Marcel Möring in een televisiedebat waarover intussen al meer te doen is geweest, is natuurlijk niet het doel van de literaire kritiek. Nee, critici hebben een cultuurhistorische taak, zij moeten bemiddelen tussen de auteur en de lezer, dat soort dingen. Niemand vroeg Möring waarom hij zelf zijn boeken schreef: om de cultuurhistorie verder te helpen soms? God helpe in dat geval zijn lezers.

Dezelfde geest sprak twee dagen later uit de preek van de voorzitter van een literaire jury – J. Borré van de Gouden Uil-prijs – die aanmerkingen had op het niveau van de boeken die hem onder ogen waren gekomen. Oppervlakkigheid verweet hij de auteurs, gemakzucht de uitgevers en de pers. `Grote thema's' en `epische bevlogenheid' ontbraken, aldus Borré.

Er is al op gewezen hoe onbeleefd het is om zulke dingen te zeggen als je bent ingehuurd om een goed boek te bekronen. We kunnen eraan toevoegen dat het dwaas is: de man heeft kennelijk geen flauw vermoeden hoe moeilijk het voor de meeste schrijvers is om een uitgever te vinden, en hoe die zich moeten inspannen om publiciteit te krijgen voor hun boeken.

Maar de grootste domheid is de gedachte dat voor goede literatuur het ene thema beter is dan andere – en dat sommige thema's te klein zijn. Of dat epische bevlogenheid zelfs maar een schijntje meer kans op succes zou geven dan, pakweg, geldingsdrang of goede smaak. (Wat is er niet afgezwoegd op onleesbare epossen, terwijl anderen met hun linkerhand een onsterfelijk verhaal schreven over het uitlaten van een hondje.) En dan het idee dat schrijvers uit lamlendigheid minder goed schrijven dan zij kunnen!

Toch is zulke gelovigheid in het Hogere en het Bevlogene wijdverbreid. Wie verstrooiing geen legitiem doel voor een krantenartikel vindt, hoort vermoedelijk bij een meerderheid van de lezers. Zelfs van de journalisten, vrees ik.

Het misverstand zit in de normen. De gelovige denkt in zijn bange hartje dat literatuur, kranten, ja de hele cultuur een soort medicijn is die je neemt om er een beter mens van te worden. Dat alle normen, dus het verschil tussen goede en slechte boeken, tussen flutstukjes en lezenswaardige artikelen, zouden verdampen als de makers niet steeds hun cultuurhistorische taak in gedachten hielden.

Arme gelovigen. Misschien moeten zij zich zelf voortdurend geweld aandoen om niet te vervallen tot tv-spelletjes en bouquetromans. Het dringt niet tot ze door dat een mooi boek domweg mooier is. Dat de ene schrijver het kan en de andere niet, en dat tussen informatie en verstrooiing geen tegenstelling hoeft te bestaan. Met cultureel plichtsbesef heeft dat niets te maken. De cultuur heeft geen zin, net zo min als het leven zelf, en dat is maar goed ook.