Aan mij is Noord-Korea niet besteed

De eerste wegversperring dient zich aan. We naderen de demarcatielijn, zo'n veertig kilometer ten noorden van Seoul. Eindelijk. Tot nu toe hebben we Noord-Korea alleen maar in de verte aan de overkant van de Lim Jin Kang-rivier zien liggen, verborgen achter een niemandsland van kilometers prikkeldraad en door zandzakken en autobanden omgeven uitkijkposten.

Nu wordt het menens. Vier zwaarbewapende Zuid-Koreaanse soldaten sommeren ons te stoppen. We moeten het busje uit voor paspoortcontrole. De paspoorten van mijn drie Amerikaanse medereizigers leveren geen problemen op. Die kennen ze van hun Amerikaanse collegasoldaten.

Met mijn Hollandse paspoort hebben ze meer moeite. Nauwkeurig wordt het bekeken en pas als ik zeg dat ook mijn land in de jaren vijftig in de strijd om de demarcatielijn VN-soldaten heeft geleverd, mogen we na een telefoontje door. Wegversperring na wegversperring volgt en bij elke post worden we, bang als ze zijn dat iemand in het niemandsland verdwijnt, opnieuw geteld.

Na zes versperringen, ik weet niet hoeveel rollen prikkeldraad en telefonades, naderen we ons reisdoel, het fameuze `Observatory Platform', de meest vooruitgeschoven observatiepost van waaruit Zuid-Koreanen het voor hen verboden Noord-Korea het duidelijkst kunnen zien.

Het platform is afgeladen. Een honderdtal Korea-kijkers wacht hun beurt af om tot de post, een grote met communicatieapparatuur bezaaide koepel, te worden toegelaten. De deuren zijn hermetisch gesloten en ervoor drentelen zwaarbewapende soldaten.

Op wat gekuch en geschuifel na is het doodstil. Zelfs kinderen houden hun mond. Sommige mensen huilen en een oud vrouwtje is zo geëmotioneerd dat ze moet worden ondersteund. Wie weet wat er in hen omgaat nu ze zo dicht bij hun verloren land zijn dat ze sinds 1953 niet meer hebben gezien en waar bijna iedereen nog familie en verwanten heeft. Daar komt nog bij dat ze hiervoor in het Anti-Communisten Museum de derde in 1978 ontdekte Noord-Koreaanse infiltratietunnel, de Eenheidsbrug en het Eenheidsdorp al de nodige nostalgie hebben opgedaan. Veel kan er niet meer bij. Een vonk is al genoeg.

Voetje voor voetje schuifelen we richting observatiepost. Om de paar minuten druppelen groepjes kijkers naar buiten. Hun gezichten spreken boekdelen. De emoties liggen er duimendik op. Sommigen huilen en anderen mompelen wat voor zich uit.

Na een half uur staan we voor de post. `No pictures', meldt een bord. We worden gefouilleerd op camera's. Een Amerikaanse medereiziger wordt gesnapt. Zijn toestel wordt in beslag genomen en het rolletje wordt eruit gehaald.

Als we binnen zijn, worden we apart genomen en krijgen een Engelstalige militaire tolk toegewezen. Vanaf hun klapstoeltjes staren ongeveer honderd Zuid-Koreanen ademloos door een raam van twintig meter lang en drie meter hoog naar Noord-Korea dat 400 meter verderop ligt. Op de begane grond voor het raam staat een miniatuur-nabootsing van het grensgebied. Het is bezaaid met vlagggetjes en naambordjes. Een militair legt met behulp van een stok uit waar wat ligt in het echte Noord-Korea een stukje verderop.

Aan de uiteinden van het raam staan enkele verrekijkers waarmee tegen betaling van 500 Won, ongeveer een halve dollar, het landschap een paar minuten kan worden afgetast. Alle kijkers zijn bezet en nieuwe klanten wachten geduldig hun beurt af.

Langzaam lopen we richting raam. Stap voor stap komt Noord-Korea dichterbij. In de verte, achter het prikkeldraad en de wachthuisjes, zie ik een gehucht liggen. ,,Een fakedorp'', fluistert onze gids. ,,Daarvan hebben ze er een aantal langs de hele demarcatielijn om ons het idee te geven dat er dicht bij de lijn ook burgers wonen. Maar het licht gaat in alle dorpen op precies dezelfde tijd uit.'' Doordringend kijkt hij ons aan. We knikken. Boodschap begrepen. Nepdorp dus.

,,En daar ligt de toren waarmee ze onze televisiesignalen storen.'' Hij wijst naar een grote uit de bossen oprijzende stalen penis. ,,En daar'', hij gebaart naar een vage skyline in de verte, ,,ligt Ktjeong-Dong, het dichtsbijzijnde stadje. Als het helder weer is, kunnen ze onze voor deserteurs gemaakte propagandaborden duidelijk zien.''

Hij wijst naar een paar lichtzuilen verderop en spelt langzaam hun teksten. ,,Here are a lot of opportunities, why don't you come'', meldt de ene. ,,Why don't you come to a better place'', lonkt de andere.

Hij stopt. Er is wat tumult bij de verrekijkers. Een oudere man weigert zijn plaats af te staan. Hij wil nog een keer kijken. Behoedzaam wordt hij door twee soldaten weggeleid. Er zijn maar veertien kijkers en zeker vijftig wachtenden. Twee keer kijken zit er echt niet in.

Ik ben nu bij de verrekijkers en word toegewezen aan nummer zes die wordt benut door een man en een vijfjarig kind voor wie de kijker te hoog is. Soms tilt de man het jongetje op, brengt zijn gezicht op kijkhoogte en praat druk gebarend naar het landschap ervoor op hem in. De kijker valt blind.

Ik ben aan de beurt. Een gerimpeld, door een echtpaar ondersteund vrouwtje vraagt in gebroken Engels of ze eerst mag. ,,I am tired.'' Ik knik. Voorzichtig zet het echtpaar haar voor de kijker. Zodra de lenzen beginnen te werken, barst ze in huilen uit. Er komt geen einde aan. Soms mompelt ze wat en een keer herhaalt ze een paar woorden vele malen achter elkaar. ,,Her family there'', mompelt het echtpaar als haar kijktijd om is.

Ik gooi 500 Won in de kijker en begin te kijken. Na pakweg twee minuten houd ik beschaamd op. Het landschap zegt me niks. Het verschilt niet van Zuid-Korea en ook het prikkeldraad en de huisjes zien er hetzelfde uit. Aan mij is de verrekijker niet besteed. Ik kan mijn plaats beter aan de volgende kijker afstaan.

Dankbaar kijkt de man me aan. Hij heeft mijn kijktijd nog te goed en daarna nog zijn eigen tijd. Zijn dag kan niet meer stuk.