Weck weerspreekt ondergeschikten

Voormalig RLD-directeur J. Weck zei gisteren dat hij niet is geïnformeerd over de vermeende explosieve lading in het El Al-toestel.

De vergaderzaal van de Eerste Kamer was sinds het begin van de Bijlmer-enquête nog nimmer zo vol geweest als toen J. Weck, oud-directeur van de Rijksluchtvaartdienst (RLD), gistermiddag beheerst plaatsnam in het getuigenbankje tegenover de enquêtecommissie.

Weck, die het zelf twee weken geleden verstandig had gevonden zijn huidige functie op het ministerie van Verkeer en Waterstaat tijdelijk neer te leggen omdat hij in opspraak was gekomen wegens zijn rol in de afhandeling van de Bijlmer-zaak, had van tevoren verklaard dat hij uitzag naar zijn verhoor. Hij had niets te verbergen en zou alles zonder moeite kunnen verklaren, liet hij weten.

Wist Weck op de avond van de ramp al dat er gevaarlijke en explosieve stoffen aan boord zouden zijn geweest van het verongelukte El Al-vrachtvliegtuig, vroeg de commissie hem. Voorlichter G. Knook van de Luchtverkeersbeveiliging op Schiphol had immers twee weken geleden onder ede verklaard dat hij juist die verontrustende (en naar later bleek onjuiste) informatie aan Weck had doorgegeven. Was Weck dus ook één van de luchtvaartfunctionarissen, die hadden geprobeerd het onwelkome nieuws ,,onder de pet te houden''?

,,Naar mijn beste herinnering heeft de heer Knook mij niet geïnformeerd over de lading'', verklaarde Weck. ,,Ik denk dat de heer Knook zich op dit punt vergist.'' Als hij daarover wel was ingelicht, zo vervolgde Weck, dan zou hij dat vanzelfsprekend direct aan anderen, voorop zijn toenmalige minister H. Maij-Weggen, hebben verteld.

Ook de volgende dag hadden Maij-Weggen, Weck en hun stafmedewerkers tijdens overleg op Schiphol niet over de lading gesproken. Wel nam vooronderzoeker H. Wolleswinkel de minister naderhand even apart. Hij vertelde haar dat er geen gevaarlijke stoffen aan boord waren geweest, die extra risico's met zich meebrachten voor de bestrijding van de ramp in de Bijlmer, zo herinnerde Weck zich, die erbij had gestaan.

Een ander punt waardoor Weck in opspraak is geraakt, betrof de getuigenis van RLD-medewerker H. Pruis. Die heeft de commissie vorige week verteld dat hij al op 7 oktober 1992, drie dagen na de ramp, had geweten dat de contragewichten in de staart hadden bestaan uit verarmd uranium. Volgens Pruis was ook de RLD-top hiervan op de hoogte gesteld.

Weck ontkende gisteren dat hij toen al was geïnformeerd over het uranium. Pas in september 1993 had hij er voor het eerst over gehoord via de media. Had u het als RLD-directeur dan niet eerder moeten weten, werd hem door de commissie voorgehouden. ,,Nee'', antwoordde Weck onverstoorbaar. Hij legde uit dat de mensen die het vooronderzoek uitvoerden een hoge mate van onafhankelijkheid genoten en niet alles met hem hoefden door te nemen. Het onderzoeksteam concludeerde al snel dat het bij het uranium om ,,een minor issue'' ging.

Ook bestreed hij dat minister Jorritsma de Tweede Kamer op 7 oktober 1997 onvolledig heeft geïnformeerd over het verarmde uranium. In antwoorden op vragen van Kamerleden sprak de minister over de mogelijke aanwezigheid van uranium. Volgens Weck werd bij die gelegenheid wel degelijk ook melding gemaakt van de vondst. In dat laatste had Weck strikt genomen gelijk, al valt uit de letterlijke tekst niet direct af te leiden dat `de vondst' inderdaad op 7 oktober 1992 was gedaan. De topambtenaar zei niet betrokken te zijn geweest bij het besluit geen onderzoek te laten doen door de Economische Controledienst naar de vrachtbrieven.