VOGELMANNETJE FLEURT DOOR EEN ENKELE RODE VEER AL DUIDELIJK OP

Duitse gedragsonderzoeksters hebben een simpele maar boeiende benadering verzonnen om de oorsprong van de uiterlijke verschillen tussen de seksen bij vogels te bekijken. Met simpele middelen – vrij gewone volière-vogeltjes en wat rode veertjes – gaven zij een praktisch antwoord op een oude theoretische vraag. Wat is het beginpunt van de in het oog springende geslachtsdimorfie bij vele vogelsoorten?

Bij veel vogelsoorten zijn de mannetjes feller gekleurd, of dragen ze onhandige accessoires mee. Hoe die geslachtsdimorfie bestendigd wordt kunnen evolutiebiologen wel verklaren. Hier is de seksuele selectie aan het werk.

Opvallende kenmerken hoeven de overleving niet te bevorderen, als ze het seksuele succes van de mannetjes maar verhogen. In sommige gevallen sloeg die seksuele selectie op hol, en ontstonden er mannetje met een onmiskenbare `handicap', zoals de pauwhaan. Ook de felle kleuren waarin menig vogelmannetje zich hult, vormen een handicapje – ze vestigen de aandacht van roofdieren op de drager. Maar verstandiger vormgegeven, langer levende mannetjes tellen evolutionair nu eenmaal niet mee, als zij op het seksuele vlak niet succesvol zijn.

Minder duidelijk is hoe die evolutionaire wedloop tussen de smaak van vogelvrouwtjes en de vormgeving van mannetjes kon ontstaan. Allerlei doorwrochte theorieën ten spijt, lijkt het er nu op dat het simpel begonnen is. Iets dat de aandacht trekt kan voor vogelvrouwtjes al aantrekkelijk zijn.

Onderzoeksters van de Ruhr-Universiteit en de Universiteit van Bielefeld in Duitsland bekeken de verschillende rollen van de seksen bij de oorsprong van nieuwe trekjes bij het seksueel niet-dimorfe, ofwel monomorfe Javaanse Bronzemannetje (Lonchura leucogastroides).

Dit vinkachtige en zwart, bruin en witte vogeltje is nauw verwant aan de bekende nonnetjes (Lonchura sp.). Als een nieuw evolutionair trekje introduceerden ze bij beide seksen één rode veer en testten hun voorkeur voor potentiële partners met zo'n eigenschap (Behavioral Ecology, 10/1).

Mannetjes wezen vrouwtjes met rode veer ondubbelzinnig af en maakten liever vrouwtjes zonder zo'n ornament het hof. Daarentegen legden de vrouwtjes juist een gedeeltelijke voorkeur aan de dag voor mannetjes met zo'n versiering. Voorheen onaantrekkelijke mannetjes groeiden in populariteit en konden dankzij het op uiteenlopende plekken aangebrachte rode veertje hun uiteindelijke voortplantingssucces verhogen. Oorspronkelijk zeer aantrekkelijke en gewilde mannetjes verloren daarentegen iets van hun populariteit door de bewerking, maar zo weinig, dat hun kindertal niet daalde.

Andere bewerkingen van het vogeluiterlijk leverden hetzelfde beeld op: juist de voorheen wat mindere mannetjes zagen hun aantrekkingskracht flink toenemen, terwijl versierde vrouwtjes totaal niet in trek waren. Dit principe maakt duidelijk hoe nieuwe uiterlijke trekjes die genetisch zijn verankerd, vooral bij mannelijke vogels gevestigd konden raken - tot op een punt waar op duidelijk sprake is van seksuele dimorfie. Boeiend is dat mogelijk juist de kwalitatief mindere mannetjes, en niet de topmannetjes, daarvoor de basis leggen. Door mutaties kunnen zij profiteren van eigenschappen waarmee ze extra aandacht trekken op de huwelijksmarkt. Op zulke gimmicks is door menige vogelsoort ijverig voortgebouwd, wanneer de selectiedruk door roofdieren dat toeliet.

(Frans van der Helm)