Universiteit moet malaise te lijf gaan

De modernisering van de universiteiten heeft autocratische bestuurders voortgebracht, die alleen nog maar een schijn van democratie ophouden. Democratisering van het universitair bestuur is hard nodig, vindt Anton van Hooff.

Ooit leek democratisering gelijk te staan met modernisering. De wet Modernisering Universitair Bestuur (MUB) heeft ons verlost van dat naïeve geloof in de vooruitgang. Modernisering betekent hier namelijk Monarchisering. In één klap is een eind gemaakt aan het collegiale bestuur, waarbij onderwijsgenieters, onderwijsgevers en ander personeel gezamenlijk verantwoordelijkheid dragen voor het reilen en zeilen van het universitaire bedrijf. De radendemocratie is volledig verdwenen. Voortaan delen universitaire vorstjes de lakens uit. Alle macht komt namelijk van boven. Iedere gezagsdrager wordt door bovenbazen aangesteld en zijn alleen aan hen verantwoording schuldig. Deze radicale ontdemocratisering is bedoeld om de universiteit slagvaardig te maken. De ondernemende academie moet immers haar plaats op de markt veroveren. Vandaar dat de moderne universiteit `mission statements' opstelt, `targets' hanteert en personeelsleden op hun prestaties `afrekent'.

Op een essentieel punt loopt de commerciële beeldspraak echter spaak: wat produceert de academische bv eigenlijk? Soms – maar in de humaniora nauwelijks – is kennis verkoopbaar, maar hoe zit het met het onderwijs, naast onderzoek de andere `missie' van de universiteit? De student kan moeilijk gelden als een halffabrikaat dat in de academische productiehallen bewerkt wordt. Daarvoor ziet hij er te menselijk uit. Antieke denkers en juristen hadden vergelijkbare problemen met het begrip slaaf. Deze liet zich niet echt vangen in de metaforen van vee: mensvoeter (andrapodon) of werktuig: stemhebbend gereedschap (instrumentum vocale). Ook de student heeft dat hinderlijk menselijke spraakvermogen. Daarom mocht hij tot voor kort meepraten. Maar zijn medezeggenschap is door de wet MUB de nek omgedraaid.

Waarschijnlijk is deze radicale ommekeer te wijten aan het slechte geweten van de politici, die doorgaans in de jaren zestig en zeventig hebben gestudeerd. Ze schamen zich ervoor dat ze er tóen zo de kantjes van hebben afgelopen. De schuld van het klaplopen zou de enorme praatcultuur aan de universiteiten zijn (die hen overigens wel uitstekend heeft toegerust voor het politieke handwerk). Natuurlijk had de democratische universiteit van de jaren zeventig uitwassen, precies zoals haar voorganger, de autoritaire professorenacademie. Maar in de jaren tachtig en negentig functioneerde de radendemocratie heel behoorlijk. Zij maakte alle belanghebbenden, studenten, docenten en ander personeel betrokken bij het bestuur. Want zoals dat bij democratie hoort, de besluiten hadden direct repercussies voor de beslissers.

Hoe gaat dat nu op de `gemoderniseerde' universiteit? Eén ervaring. De facultaire onderwijscommissie, ooit een orgaan zonder welks advies de faculteitsraad geen rechtsgeldige besluiten kon nemen, komt bijeen. De leden proberen zichzelf ervan te overtuigen dat ze ook in de nieuwe structuur belangrijk kunnen zijn door `de vinger aan de pols te houden' en ongevraagd adviezen te geven. Een instituut dat naar zijn navel staart om de zin van zijn bestaan te ontdekken, is op sterven na dood.

Een ander voorval. Al jarenlang ben ik lid van een opleidingscommissie, de groep zich bezighoudt met de onderwijszaken van een studierichting. Ook in de nieuwe structuur, zo is ons verzekerd, blijft de opleidingscommissie gewichtig. Eigenlijk wordt het een nog belangrijker instituut, want het is het enige orgaan van de studierichting. Dit `zenuwcentrum' van de studierichting komt na een jaar MUB bijeen om kennis te nemen van het nieuwe faculteitsreglement. Ter vergadering stijgt de ontsteltenis ten top als de commissie beseft hoe weinig zij nog voorstelt. Zij mag `desgevraagd of uit eigen beweging' advies uitbrengen aan de decaan, de baas van de universiteit. Zij maakt er aanspraak op dat een afwijking van haar advies met redenen wordt omkleed. Zelfs heeft de opleidingscommissie het recht om `heroverweging van het betreffende besluit' te vragen. Toe maar. Gedurende de rest van de vergadering vermeit de commissie zich met speculaties over wat men `in de wandelgangen' gehoord heeft. Zo ging het ook in de corridors van Versailles als men aan elkaar doorgaf dat de koning een goede nachtrust had gehad.

Heus, we hebben het goed getroffen met onze faculteitsvorst. De decaan is een echt beminnelijke baas. Hij probeert het weer een beetje gezellig in de faculteit te maken. Het zou me niets verbazen als de docenten volgend jaar van hem een kerstpakket krijgen. Tot nu toe krijgt alleen het niet-wetenschappelijk personeel zo'n doos. Onze decaan gaat beslist als Toon de Goede de geschiedenis in. Hij probeert gevoeligheden te ontzien: sinds kort ondertekent hij met `het decanaat', ongeveer zoals het pauselijk gezag onschuldiger klinkt onder de aanduiding `De Heilige Stoel'. Geef mij maar liever het onverbloemde absolutisme van Philips II, die tekende met `Io el Rey'.

Autocratie staat of valt met de persoon van de gezaghebber. Wat gebeurt er als de koning dood of ziek is? `Le roi mort' is geen probleem als een opvolger in de startblokken staat. Maar een vorst die met zijn gezondheid sukkelt, houdt de dingen op. Dat dit geen fictief bezwaar tegen de universitaire monarchisering is, bleek al meteen vorig jaar toen het nieuwe bestel van de wet MUB juist was ingegaan. Wekenlang konden er geen knopen worden doorgehakt, want de decaan was ernstig ziek.

Nogmaals: het gaat niet om de persoon van `mijn' decaan. Met Shakespeare zeg ik dat hij een achtenswaardig man is. Ook hij is het slachtoffer van een structuur die het potentieel van het universiteitsvolk miskent. Zijn decanale leenheren zijn al evenzeer achtenswaardige lieden. Zij heten directeuren, maar dat wordt nog wel `het directoire'. Zij gaan grif in op verzoeken op uitleg. Als om strijd verzekeren zij dat zij niet in het luchtledige kunnen besturen. Wij moeten hun vooral tegenspel bieden. Maar als we doorvragen over onze rechten, zeggen ze met een olijke lach dat in laatste instantie de decaan het voor het zeggen heeft.

De universitaire regenten voelen zich wel bij de zogeheten modernisering. Zij kunnen nu eens hun spierballen laten zien, zoals het Wageningse bestuur doet met het ondernemingsplan `Krachtig op koers'. Toen het verontruste personeel op het bestuursgebouw verhaal wilde komen halen, werd het letterlijk in de kou gelaten: het mocht niet binnen vergaderen.

De MUB brengt op de `werkvloer' allesbehalve de voorgespiegelde dynamiek. Er heerst daar een sfeer van ontmoediging en berusting. Tot nu toe gedreven mensen verzuchten: ,,Ze zien maar'', en: ,,Het zal mijn tijd wel duren.'' De malaise bij de universiteitsbladen bevestigt de algemene ontreddering. Wat ooit angels in het universitaire vlees waren en kweekvijvers van journalistiek talent, zijn nu `gladde' bedrijfsmagazines met veel zelfbewieroking. Iedere week verdwijnen hele pakken van deze duffe krantjes rechtstreeks in de papiercontainer.

Hoe kon het zover komen? Natuurlijk staat de universiteit teveel in de samenleving om ongevoelig te kunnen blijven voor de ondernemersretoriek van dit fin de siècle. Het blijft echter een smet op het blazoen van de PvdA dat uitgerekend een sociaal-democratische minister tekende voor de ontdemocratisering van de universiteit. Ook wij als universiteitsdocenten zijn te laken en wel om onze laksheid. Waarom hebben de Twentse hoogleraren die te elfder ure nog poogden het verzet tegen de wet MUB te bundelen, geen respons gevonden?

Is de wet Modernisering Universitair Bestuur alleen maar een stap terug? Hopelijk is zij progressief in de zin waarin ook het absolutisme dat was. Veel Europese staten moesten door die fase heen. Maar aan het eind kwamen revolutie en guillotine. Misschien moet de MUB onze tijd maar duren, als aan de einder maar de hoop gloort van een wet DUB, Democratisering Universitair Bestuur.

Anton van Hooff is hoofddocent antieke geschiedenis en vakdidactiek klassieken aan de Universiteit van Nijmegen.