TEGEN DE DEBILISERING

ZE LEERDEN elkaar 25 jaar geleden als collega's kennen op het Stanislas College in Delft. Neerlandicus Theo van der Heijden zat er al vijf jaar toen vakgenoot Fabian van Boheemen in 1974 zijn intrede deed. Allebei wilden ze meer doen dan lesgeven. ``Dat vonden we niet genoeg'', zeggen ze nu. ``We wilden onze wetenschappelijke achtergrond een beetje in beweging houden.'' Ruim twee decennia zwierf dit goedgehumeurde tweetal in zijn vrije uurtjes van archief naar archief. Vorige maand promoveerden ze samen op het proefschrift `Met minnen versaemt', over de Hollandse rederijkers vanaf de middeleeuwen tot het begin van de achttiende eeuw. Terwijl het halve Nederlandse onderwijs plat lag, en duizenden docenten met petjes op in de Jaarbeurs leuzen scandeerden, legden Van der Heijden en Van Boheemen in de Nijmeegse universiteitsaula verantwoording af van hun gewetensvolle speurwerk naar de literaire gezelschappen die zich eertijds in wedstrijdverband bezighielden met toneel, dichtkunst en welsprekendheid. Een bus vol collega's en leerlingen was hen nagereisd.

Het begon 22 jaar geleden tamelijk onschuldig in het gemeentearchief van Delft met een onderzoekje naar het wel en wee van rederijkerskamer De Rapenbloem. Na enige tijd resulteerde hun gespit in een boekje over het Delftse rederijkersleven. Achteraf bezien een vingeroefening voor een veel groter werk, maar dat wisten ze toen nog niet. Ze leerden dankzij de genereuze hulp van de Delftse gemeente-archivaris hoe je een archief `overmeestert' en ze raakten vertrouwd met zestiende-eeuwse handschriften. Maar bovenal: ze betraden de halfverscholen wereld van de rederijkers en lieten zich daar voorlopig niet meer wegslaan. Bij toeval stuitten ze op een interessante rederijkers-moordzaak in het Westlandse plaatsje De Lier. De processtukken over deze moord schetsten een levendig beeld van het rederijkersleven binnen een kleine dorpsgemeenschap. Ook hierover schreven de twee docenten een boekwerkje.

Inmiddels beseften ze dat er in grote en kleine archieven een schat aan onontgonnen materiaal moest liggen en ze wisten inmiddels ook via welke wegen ze het boven water konden krijgen. Dat wekte hun hebzucht op. Ze besloten het groot aan te pakken en er een dissertatie van te maken. Alle rederijkerskamers van het gewest Holland, het huidige Zuid- en Noord-Holland, wilden ze in kaart brengen. Ze zouden er uiteindelijk 92 weten te traceren. In een dik bronnenboek, Retoricaal Memoriaal, zijn ze van Alkmaar tot Zwartewaal gedocumenteerd. De dissertatie zelf behandelt een aantal `krenten uit de pap', zoals de promovendi het omschrijven. Niet echt kost voor het moderne Nike-volkje dat ze dagelijks in hun klas aantreffen, maar ongetwijfeld van historisch belang.

Jaren achtereen trokken ze tijdens de schoolvakanties naar verder weg gelegen archieven, op zaterdagochtend en donderdagavond bleven ze dichter bij huis. Een à twee keer per jaar kregen ze van school een dagje vrij om op pad gaan, wat ze als `wel sympathiek' typeren. Zo'n bezoek aan het archief verliep al snel volgens een vast patroon. ``Als we rond vieren genoeg gewerkt hadden'', vertelt Van Boheemen, ``had Theo een stadswandeling georganiseerd, want we zaten altijd in leuke stadjes met een lange historie. We sloten de dag af met een diner in een gezellige herberg.'' Van der Heijden werkte langzaam, maar heel conscentieus en precies. Van Bohemen sprong bevlogen in het diepe en zag wel waar hij uitkwam. Van irritatie is, naar ze zich kunnen herinneren, nooit sprake geweest. ``We waren kritisch tegen elkaar en konden alles zeggen zonder dat de ander daar bedroefd van werd.''

Het verzamelen van materiaal nam in de loop der tijd escapistische vormen aan, moeten ze bekennen, het schrijven leek steeds verder vooruit geschoven te worden. Ze vielen ten prooi aan `de gierige heb', zoals Van Boheemen het omschrijft, en ze waren bang iets over het hoofd te zien. Zelf werd hij enkele keren met een flinke dip geconfronteerd, ten tijde waarvan hij ineens besefte hoezeer de rederijkers in zijn beleving een `kosmische vergroting' hadden ondergaan. Het relativisme van vrouw en kinderen (`hier zullen ze in Senegal erg blij mee zijn') kon hij ineens iets te goed invoelen. Maar Theo sleepte hem er telkens weer uit, net zo goed als Fabian collega Theo door een half jaar durend writers block heen hielp. ``Als we het niet samen hadden gedaan, was het niet gelukt'', zeggen ze eenstemmig. ``Want welke idioten doen nou zulk monnikenwerk?''

Ze kunnen aanstekelijk vertellen over de mores in de verschillende archieven die ze in de loop der jaren hebben bezocht. In Dordrecht ging het er bijzonder strikt en ambtelijk aan toe, in Goederede mocht je zelf alles pakken en kon Van Boheemen ondertussen rustig zijn pijpje roken. En in Naaldwijk werd door een allervriendelijkste bode een pilsje naast de zestiende-eeuwse geschriften geserveerd. Hoe groter het archief, des te ambtelijker en minder behulpzaam de bediening, zo luidt hun conclusie.

Ook al is het moeilijk te kwantificeren, de beide docenten vinden dat het jarenlange onderzoek hun veel heeft opgeleverd. Het heeft hun in elk geval behoed voor de vergaande `debilisering', die in het onderwijs op de loer ligt. ``De band met de wetenschap en de universiteit is niet verloren gegaan'', stelt Van der Heijden tevreden vast, ``en we hebben er in de loop der jaren een hoop bijgeleerd over literatuur, geschiedenis en onderzoek.'' Van Boheemen: ``Het is leuk om buiten het beperkte schoolwereldje bezig te zijn. We kwamen door dit werk nog eens op een congres of we gaven nog eens een lezinkje. Je komt nieuwe, frisse mensen tegen.'' Door zelf met grote precisie en volharding onderzoek te verrichten, bleven de eisen die ze aan hun leerlingen stellen ook scherp. ``Je bent in het onderwijs snel geneigd om genoegen te nemen met iets dat ongeveer goed is. Maar leerlingen stellen het op prijs als je serieuze eisen stelt.''

Ontleende een middelbare school vroeger nog enig aanzien aan haar gepromoveerde docenten, tegenwoordig heeft ze er geen enkel belang meer bij. ``Ze vinden het belangrijker dat je veel tijd steekt in de ontwikkeling van het studiehuis'', zeggen de neerlandici, die overigens volop participeerden in commissies, raden en het schoolvoetbalteam. ``Op school vonden ze wat wij deden curieus en leuk, maar niet in het voordeel van het onderwijs.'' Als tijdens functioneringsgesprekken het hoofdstuk her- en bijscholing ter sprake kwam, telde het wetenschappelijk graafwerk van de twee docenten niet mee. ``Alles wordt verengd en moet direct profijtelijk zijn voor de school'', concludeert Van Boheemen. ``Nou, dan doen we toch gewoon een cursusje dyslexie?''

Een periodiekje heeft de promotie hun dan ook niet opgeleverd. ``Ben je bedonderd'', zegt Van der Heijden. ``Ja, vroeger kreeg je dat wel, maar het was een van de eerste dingen die zijn wegbezuinigd in het onderwijs.'' Minachting voor promoverende leerkrachten, vinden ze. Van der Heijden maakte er zelfs een stelling over: ``De in 1978 door de regering ingevoerde bezuinigingsmaatregel om de promotie van leerkrachten niet langer te belonen met een extra periodiek in de salarisschaal wordt ten onrechte buiten beschouwing gelaten in de discussie over differentiatie in beloning waar tegenwoordig sprake van is.''