TALENT BESTAAT NIET

Waarom zou je uitzonderlijke aangeboren capaciteiten veronderstellen bij mensen die uitzonderlijke prestaties leveren? Want diezelfde mensen oefenen op uitzonderlijke wijze.

TALENT MOET gekoesterd worden, dat vindt iedereen. Talent is belangrijk. Maar bestaat talent eigenlijk wel? Nee, schrijven drie Britse psychologen in een recent artikel (Innate talents: reality of myth? in Behavioral and Brain Sciences 21, 1998, pp 399-442). Welbeschouwd zijn er geen directe aanwijzingen voor het idee van een aangeboren talent als verklaring voor uitzonderlijke prestaties op het gebied van sport, wiskunde, schaken, muziek, vreemde talen, wetenschap, kunsten, enzovoorts. Uitzonderlijke prestaties gaan altijd samen met een vrijwel even uitzonderlijke mate van oefening en training. Is er dan nog wel een rol voor zoiets als talent? - aldus de kerngedachte van de drie psychologen, Michael Howe, Jane Davidson en John Sloboda.

Geloven in `talent' is niet irrationeel, maar dat talent belangrijker zou zijn dan training en oefening valt niet te bewijzen, aldus Howe cum suis. En wegens de nagatieve sociale gevolgen van het `talent-geloof' zou het maar beter zijn als het idee van `talenten' verlaten zou worden. Voor kinderen die al op jonge leeftijd worden beschouwd als `getalenteerd' mogen de stimulering en aanmoediging gunstig werken, voor al die andere kinderen betekent het talentgeloof dat hun capaciteiten niet worden ontwikkeld. Het is een manier om schaarse faciliteiten te verdelen, maar rechtvaardig of wetenschappelijk verantwoord is het niet, aldus Howe, Davidson & Sloboda.

Zoals gebruikelijk in het blad Behavioral and Brain Sciences (BBS) wordt het artikel gevolgd door een lange reeks korte reacties van vakgenoten. Uit die overigens zeer uiteenlopende reacties blijkt dat niemand `talent' beschouwt als een soort aangeboren garantie op succes. Het debat gaat over de waarde van oefening. Oftewel: kan in principe iedereen alles, als hij of zij maar goed oefent?

Om het begrip `talent' hanteerbaar te maken, definieert Howe c.s. het met vijf punten. Ten eerste: talent berust op aangeboren, genetische eigenschappen. Ten tweede: de effecten blijken misschien pas op latere leeftijd maar er moeten genoeg vroege aanwijzingen voor bestaan om kinderen te kunnen selecteren als getalenteerd. Ten derde: deze vroege aanwijzingen moeten het mogelijk maken om latere, uitzonderlijke prestaties te voorspellen. Ten vierde: slechts een minderheid is getalenteerd, als alle kinderen getalenteerd zijn valt er weinig meer te voorspellen. En: talenten zijn relatief domeinspecifiek. Dat laatste is nogal vaag, geven ook Howe, Davidson & Sloboda toe, want je kunt niet altijd zeggen dat twee kinderen met talent voor `muziek' precies hetzelfde talent hebben. Maar `talent' moet wel weer worden afgebakend van algemene intelligentie zoals gemeten in IQ.

MUZIEKSCHOOL

Een belangrijk argument van Howe cum suis voor de irrelevantie van het idee van `aangeboren talenten' is dat uit onderzoek onder Engelse muziekschoolleerlingen bleek dat zeer succesvolle jonge musici evenlang moesten oefenen om te kunnen slagen voor de periodieke examens op de muziekschool als minder succesvolle. Succesvolle leerlingen zijn succesvol omdat ze meer studeren. Om het hoogste niveau van de muziekschool te bereiken had iedereen, `getalenteerd' of niet, ongeveer 3.300 uur aan oefening nodig, zo blijkt uit het onderzoek van Sloboda, gebaseerd op dagboeken en retrospectieve gegevens. Ook alle grote componisten uit de muziekgeschiedenis hadden een (zeer) lange oefenperiode achter de rug voordat ze hun eerste meesterwerk schreven. Pas het negende pianoconcert van Mozart (K.271) is een echt meesterwerk, geschreven toen Mozart al 21 jaar was, na zestien jaar lang ondergedompeld te zijn geweest in muziek, merkt een andere psycholoog, Robert Weisberg uit Philadelphia, op, in een commentaar. Ook de vermogens van autisten met ongewone talenten, de zogenoemde idiots savants, zijn waarschijnlijk te verklaren uit hun obsessieve oefening en concentratievermogen, al verschijnen sommige van deze `talenten' wel èrg vroeg in het leven, geeft Howe c.s. toe.

Maar betekent dit dan dat iedereen die maar genoeg oefent, uiteindelijk in staat zal zijn te musiceren op het niveau van Mozart, of een willekeurige andere topmuzikant? Of na voldoende training net zo hard te schaatsen als Gunda Niemann? Dat is de centrale kwestie van het debat in BBS en het onbevredigende daarbij is dat het onmogelijk is om een gecontroleerd experiment uit te voeren. Kinderen die geen enkele belangstelling hebben voor piano of klapschaatsen kunnen nu eenmaal niet gedwongen worden om dag in dag uit uren te oefenen zoals `getalenteerden' doen. Het geheugen van mensen blijkt na intensieve training veel beter te worden dan zelfs sommige experts voor mogelijk hielden. Maar dat zegt niet zoveel, want zo'n training is niet te vergelijken met jarenlange toewijding. En de Berlijnse psycholoog Paul Baltes meldt in een commentaar dat de onderlinge verschillen in `geheugenkracht' tussen de deelnemers na de training alleen maar groter waren geworden, hoewel allen een veel hoger peil bereikt hadden.

Een belangrijk kenmerk van talent is dat het vroeg te ontdekken moeten zijn. Anekdotes genoeg. Er blijkt een kind te zijn dat al met vijf maanden praatte en vijf talen sprak op zijn derde. De pianist Arthur Rubenstein zou al piano hebben kunnen spelen voordat hij kon praten, andere kinderen zouden al realistische tekeningen hebben kunnen maken toen ze twee en drie jaar oud waren, een uitzonderlijke prestatie. Maar dat zijn slechts oncontroleerbare anekdotes, oordelen Howe, Davidson & Sloboda. En waarschijnlijk zijn de betrokken kinderen sterk gestimuleerd door hun ouders. Want waarom zouden ze anders zo precies in dagboeken de prestaties van hun kinderen bijhouden, zoals in sommige gevallen gebeurt?

Er zijn geen duidelijke bewijzen voor succesvolle selectie van getalenteerden die niet ook samengaat met intensieve stimulering van de betrokkenen. In de sportwereld blijkt vooral vroege lichamelijke rijpheid aan te worden gezien voor talent, met als gevolg dat kinderen die vroeg in het seizoen jarig zijn (augustus t/m oktober) eerder als getalenteerd worden aangewezen dan jongere jaargroepgenoten, met alle extra stimulering vandien. Er is dan ook sprake van een duidelijke onevenwichtigheid in de geboortemaanden van succesvolle voetballers en andere sporters.

volhardendheid

Maar iedereen weet toch dat de een veel gemakkelijker leert vioolspelen of voetballen dan de ander? Maar ook dat fenomeen kan verklaard worden uit sterkere motivaties of uit eerdere leerervaringen die hebben geleid tot een bepaalde houding, kennis èn voldoende zelfvertrouwen, aldus Howe c.s. Misschien is er een erfelijke factor in het spel inzake `volhardendheid', menen ze, maar dat is toch niet wat er met talent bedoeld wordt. Met motivatie zijn ook heel andere dingen aan de hand. Als mensen (en proefdieren) beloond worden voor een grote cognitieve of lichamelijke inzet bij een taak, vermindert de natuurlijke afkeer van die grote inzet, schrijft bijvoorbeeld Robert Eisenberg van de Universiteit van Delaware. Kinderen die beloond worden voor goede prestaties bij een spellingopgave, tonen vervolgens ook bij een wiskundeopgave aanzienlijk meer inzet.

En de psycholoog K. Anders Ericsson, uit Florida, merkt op op dat de meeste individuen in hun dagelijkse activiteiten streven naar `moeiteloze uitvoering'. Zodra ze een acceptabel niveau hebben bereikt, begint bij hen het proces van automatisering waardoor verdere ontwikkeling vrijwel onmogelijk wordt. Bij de experts treedt die verlammende tevredenheid veel minder op: die blijven veel meer gericht op verbetering door planning, controle en analyse van wat ze doen. Het grote verschil tussen kundige en uitzonderlijke uitvoering van taken is dan ook gelegen in de motivatie van een klein groepje individuen om altijd weer te streven naar verbetering.

Veel `genetische talenten' blijken bij nader onderzoek cultureel te verklaren. Lange tijd is bijvoorbeeld gedacht dat het vermogen van kinderen in sommige delen van Afrika om gemiddeld een maand eerder te zitten en te lopen dan elders in de wereld, voortkwam uit genetische verschillen. Totdat ontdekt werd dat deze vroege mobiliteit alleen voorkwam in traditioneel levende dorpen, waarbij de moeder de kinderen al vroeg stimuleerde te lopen. In de steden, met een genetisch identieke bevolking, verdween het vroege lopen. In andere culturen komen voor westerse begrippen tamelijk extreme vaardigheden in zwemmen, kanoën, oriëntatie, visuele herinnering en muziek voor, die alle verdwijnen als de traditionele opvoedingsmethoden worden verlaten.

AFRIKA

Een ander belangrijk argument tegen het `talent'-idee is het almaar stijgende niveau van prestaties, schrijft de Amerikaanse psycholoog Lehmann in een commentaar. Recente pianostukken zijn moeilijker dan oudere en stukken die vroeger `onspeelbaar' werden geacht zijn nu standaardrepertoire, zoals de composities van de `duivelsviolist' Paganini. De sterk gegroeide muzikale professionalisering, de almaar dalende leeftijd waarop kinderen met muziek beginnen en de concentratie in de opleiding op uitvoering (ten koste van improvisatie bijvoorbeeld) hebben allemaal bijgedragen aan die stijging. Het gevolg is dat prestaties op grond waarvan vroeger kinderen tot wonderkind werden uitgeroepen tegenwoordig vrij normaal zijn, aldus Lehmann.

Lang niet alle psychologen die een commentaar naar BBS opstuurden steunen het pleidooi van Howe cs. om het idee `talent' af te schaffen, maar vrijwel alle erkennen dat er weinig positieve bewijzen zijn. Afschaffing van het `talent' heeft overigens ook weer sociale nadelen, merkt een aantal psychologen op. Want dàn is mislukking van een bepaalde opleiding of van een bepaald streven kennelijk altijd te danken aan een gebrek aan inzet.

    • Hendrik Spiering