Rotterdams geld voor film- en videoproducties

De gemeente Rotterdam gaat vier miljoen gulden per jaar investeren in de ontwikkeling van de audiovisuele sector. In navolging van Amerikaanse steden wordt een aparte functionaris belast met het stimuleren van film en video.

Volgens een voorstel van B en W van Rotterdam, dat nog moet worden goedgekeurd door de gemeenteraad, wordt het budget van het Filmfonds Rotterdam tot en met 2002 verhoogd van de huidige twee miljoen naar vier miljoen gulden per jaar. Het werkterrein van het fonds, opgericht in 1996 en verantwoordelijk voor het stimuleren van de audiovisuele (av) sector in de Rotterdamse regio, zal worden uitgebreid. Naast speelfilms komen voortaan ook tv-producties, bedrijfsfilms en commercials in aanmerking voor ondersteuning. De voorwaarden hiervoor blijven gelijk: een bedrag ter grootte van 125 procent van de subsidie moet worden besteed bij facilitaire bedrijven in de regio. De naam moet worden veranderd in AV-fonds.

Uit het verhoogde budget zal onder andere een `screencommisioner' worden gefinancierd, een functionaris die av-producenten moet overhalen om hun productie in Rotterdam op te nemen of af te werken. Gezocht wordt naar iemand die zowel vertrouwd is met de Rotterdamse gemeentelijke instanties als het landelijke filmbedrijf. In Amerika geldt filmproductie als een lucratieve bedrijfstak en heeft elke grote stad een `filmcommisioner'. Het Filmfonds Rotterdam valt onder verantwoordelijkheid van het Ontwikkelings Bedrijf Rotterdam (OBR), het budget wordt betaald door de afdeling Economische Zaken.

Eind vorig jaar trad het bestuur van het Filmfonds Rotterdam af uit onvrede over de trage besluitvorming van de gemeente over het toekomstige budget. In een nota vroeg het bestuur om een jaarbudget van acht miljoen gulden. Onhaalbaar, volgens F. van Vliet van de OBR, maar een verdubbeling was al lange tijd een politieke wens. Demissionair bestuursvoorzitter P. Vermeulen is blij met de budgetverhoging, maar voorziet problemen met de taakverbreding: overheidssteun aan commerciële producties leidt tot conflicten over concurrentievervalsing en onduidelijkheid over de aard van leningen. Een `rompbestuur' wordt verantwoordelijk voor toewijzingen in 1999 en zal na een half jaar worden opgevolgd door een nieuw bestuur.