Pionier in klei

Met grote moed en eigenzinnigheid heeft beeldend kunstenaar Lotti van der Gaag, die vrijdagmorgen in Nieuwegein is overleden, de laatste jaren geleefd. Hoewel zij haar handen nauwelijks meer kon gebruiken, en met moeite ademhaalde, vervaardigde zij nog een lange reeks tekeningen. Ze droomde er zelfs van terug te gaan naar haar atelier in Parijs.

Lotti, die haar voornaam als kunstenaarsnaam gebruikte, behoorde met de beelden die zij vanaf 1948/49 maakte, ten volle tot de experimentele avant-garde van de jaren vijftig. Bovendien was zij, binnen de toen nog zeer traditionele beeldhouwkunst in Nederland, door de vrije wijze waarop zij met klei omging, een van de weinige pioniers die zochten naar nieuwe mogelijkheden.

Het was op de Vrije Academie in Den Haag waar zij zich, gestimuleerd door haar leermeester Livinus van de Bundt, eind jaren veertig voor het eerst geheel overgaf aan de klei en aan de beelden die uit haar onderbewuste bovenkwamen. De circa honderdvijftig, soms beangstigende, fantasiewezens die zij in hoog tempo maakte, stonden aan het begin van een omvangrijk oeuvre waarin oerbeelden of archetypen het hoofdmotief vormen: een volk van wezens dat uit half dier-, half mens-figuren bestaat.

Geïntrigeerd door het werk van belangrijke beeldhouwers uit Parijs, dat zij in het Stedelijk Museum in Amsterdam had gezien, vertrok Lotti eind 1950 naar de Franse hoofdstad. Het lukte haar daar les te krijgen van Zadkine. Via de dichter Simon Vinkenoog, model van deze beeldhouwer, kwam zij al snel in contact met Karel Appel en Corneille, die zojuist in een huidenpakhuis in de rue Santeuil een werkruimte hadden gevonden. Ook Lotti richtte daar een atelier in. Onder primitieve omstandigheden – onder de vloer lagen stinkende koeienhuiden te drogen, er was maar één kraantje en geen toilet – trok Lotti, zoals Appel en Corneille dit voornamelijk in verf deden, zich terug in haar fantasiewereld van klei. Corneille hielp haar soms ongezien wat klei in haar rugzakje te stoppen na een lesdag bij Zadkine. En dan waren er natuurlijk ook hun gemeenschappelijke feesten, zoals Sint Nicolaasavond rond de potkachel.

Ongetwijfeld beïnvloed door de wijze waarop Zadkine ruimte in zijn beelden toeliet, ging Lotti haar beelden openwerken. Zij ontwikkelde een ingenieuze techniek waarbij zij de klei aanbracht rond een armatuur. Kenmerkend werd een spel van rond elkaar geweven vormen, waaruit die zowel herkenbare als vegetatieve wezens opdoken.

Hoewel Appel en Corneille niet op het idee kwamen haar eens een plaatsje te geven in hun Cobra-tentoonstellingen, werd Lotti al vanaf 1952 door autoriteiten als Willem Sandberg, Hans Jaffé en Wim Beeren als een van de `experimentelen' beschouwd. Lotti kende in de jaren vijftig en zestig veel succes met haar werk. Naast solo-exposities, zoals in 1962 in het Stedelijk in Amsterdam en in 1965 in het Haags Gemeentemuseum, behoorde zij tot de andere koplopers op belangrijke nationale en internationale tentoonstellingen. Zij kreeg ook heel wat monumentale opdrachten.

Toch besloot zij in 1974 te stoppen met beeldhouwen omdat ze de bronsgieter niet kon betalen. Al in 1960, in de rue Santeuil, waar zij nog tot in 1962 woonde, had zij de draad van haar schilderen, van vóór 1948, weer opgepakt. Bijna tot haar dood zou ze dit oeuvre verder uitbreiden. Eerst met doeken en papier vol aard- en zandtinten, pas later kregen haar fantasiewezens felle kleuren. Kenmerkend voor haar zeer eigen schildertechniek is, net als in haar sculpturen, het verweven van vormen en een structuur van streepjes, ontstaan door verf weg te halen met bijvoorbeeld de steel van een lepel.

Lotti behoort met haar beelden, schilderijen en tekeningen geheel tot die grote, in vele landen zich manifesterende groep van kunstenaars die – na 1945 – vooral de materie benadrukten. Evenals de Cobrakunstenaars onderscheidde zij zich met haar werk, in die ook wel `Informele Kunst' genoemde stroming, door de fantasiewezens die zij uit die materie wist op te roepen.