In de bijl trilt weemoed

In Almere wordt een middeleeuws kasteel gebouwd met drie hoektorens en een donjon. Maar Hamlets kasteel in Elsenör is bij de opvoering door Het Nationale Toneel teruggebracht tot een zandbak met enkele plankieren. De meubelboulevards kunnen de spiegels met gouden krullijsten en victoriaanse boekenmolens niet aanslepen. Maar bij De Trust is het negentiende-eeuwse landhuis in de beroemde Kersentuin gemeubileerd met een allegaartje van keukenstoelen en een jaren dertig buffet.

Het is allemaal niet erg, maar wel verwarrend. Waar wil de moderne mens nu het liefst naar kijken?

Het vereigentijdsen van klassiek drama is al lang aan de gang. Soms was het verrassend, soms hinderlijk, maar voor mijn gevoel vrijwel altijd onnodig.

En nu ik in korte tijd vier keer dergelijke producties heb gezien, dringt de waarom-toch-vraag zich wat dwingender op dan voorheen. Behalve op toneel ook twee keer bij de Nederlandse Opera. The rakes progress speelde niet langer grotendeels in een bordeel uit vroeger dagen, maar in een hedendaagse Amerikaanse gevangenis. En Carmen was geen vrijgevochten zigeunerin met zwierige rokken, maar kon in haar partyjurkje zo op de cover van Viva of Elle.

Een veelgehoorde verklaring is dat men denkt dat de `boodschap' die van tekst en handeling moet uitgaan duidelijker overkomt als de personages uit de eigen leefwereld van het publiek afkomstig en dus herkenbaar zijn. Dan wordt het gevaar bezworen dat men in de zaal zou denken: ,,Oh, zo was het vroeger, maar nu niet meer.'' En moderne theatermakers willen boodschappers zijn. Peter Sellars, de regisseur van The rakes progress zei het in zijn dankwoord toen hij vorig jaar de Erasmusprijs kreeg zo: ,,[...]not just say we are the decoration, we are the desert after the meal. No, we are the basic nutrition, that is the heart of the meal. There will be no meal until cultural workers create a table at which we can all actually sit down together.''

Ik denk dat ik het daarmee wel eens ben. Maar de vraag blijft of het daarvoor nodig is de oorspronkelijke kunstwerken van hun tijd, plaats en handeling te ontdoen. Is het nu juist niet zo dat sommige toneelstukken hebben kunnen overleven, omdat zij de meest wezenlijke en daardoor tijdloze aspecten van het menselijke bestaan lieten zien? Het vereigentijdsen komt neer op een dubbele belediging. Van de toneelschrijver, wiens tekst niet sterk genoeg wordt geacht om door de tijdgebonden enscenering heen te breken. Van het publiek dat niet in staat zou zijn door de gedateerdheid van scènes heen de algemeen geldende menselijke conditie te herkennen. De goede voornemens en de vuile handen. De weemoed en het optimisme. De twijfel en het zekere weten. Het hele scala van thema's voor tijd en eeuwigheid.

Is het zo dat ik de zielenroerselen van Hamlet beter begrijp als Gijs Scholten van Aschat en zijn hofhouding zijn gekleed in zwarte Armanipakken die ik ken uit het huidige straatbeeld en de trendy etablissementen? Nee, integendeel, het zit me in de weg, want zo'n jongeman van nu gelooft niet in geestverschijningen van zijn vader die hem opdrachten geven. Hij kan in relatie tot zijn ouders wel overdonderende wraakgevoelens kennen, maar die nemen tegenwoordig andere gedaanten aan. Daar moet een mooi modern toneelstuk over te schrijven zijn. Zoals er ook mooie films over zijn gemaakt.

`Vertaald naar het heden' betekent voor mij eerder distantie dan herkenning. Het kijken blijft cognitief. Hoe zouden ze dadelijk de duelscène hedendaags gaan oplossen? Oh, het colbertjasje uit en gewoon de degens gekruist. Raar om naar te kijken. Soms ook zijn de teksten opeens potsierlijk, zoals wanneer ze – passend voor een bordeel – in een gevangenis nergens op slaan. Ook al lopen de bewaaksters met dikke konten te draaien in strakke uniformbroeken. Maar de muziek en de uitvoering zijn prachtig, dus maar weer eens een tijdje luisteren met de ogen dicht.

Er bestaat enig dédain voor originele decors en aankleding. Men ziet dat als conservatisme. Klassieke BBC-verfilmingen worden in de televisieagenda dan ook vaak aangeduid als `kostuumdrama', als ging het om een modeshow met een verhaallijn. Maar als het in Carmen gaat om negentiende-eeuwse arbeidsters uit een sigarenfabriek wil ik die graag zien en laat ik analogieën met de moderne tijd liever aan de vrije krachten in mijn eigen hoofd over.

Het is een nadeel van podiumkunsten dat de oorspronkelijke kunstenaar en het latere publiek maar moeten afwachten wat uitvoerders ervan maken. Literaire kunstenaars zijn wat dat betreft onafhankelijker. Niemand zal het in zijn hoofd halen hun boeken te vervangen door naar het heden vertaalde versies. Voor beeldende kunst geldt iets dergelijks. De postmoderne applicatiekunst gebruikt wel reeds bestaande beelden, maar de originelen blijven daarnaast bestaan en voor publiek beschikbaar. Opmerkelijk is echter wel dat in de podiumkunst van de muziek er juist een hang is naar authenticiteit: hoe heeft de componist het bedoeld? Hoe heeft het in zijn tijd geklonken? En hoe mooi ik Sylvia Poorter ook vond spelen als grondbezitster Ljoebov en hoe schitterend haar jurk ook was, ik had haar zo graag gezien zoals Tsjechov haar voor ogen moet hebben gehad. Zoals ik ook liever bij het eind de eerste slagen van de bijl had gehoord die de Kersentuin zal gaan omhakken, en geen motorzaag. In de bijl trilt weemoed, die zaag is alleen maar agressief.

    • Rita Kohnstamm