Hollands Dagboek: Noraly Beyer

Noraly Beyer is redacteur-presentator bij de Wereldomroep (sinds 1983) en bij het NOS-journaal (1985). Sinds 1981 gaat zij (vrijwel) elk jaar met een vast groepje vrienden naar Trinidad voor het carnaval.

Woensdag 10 februari

Ik ben nu twee dagen in Suriname. Op de radio vertelt Ramon de Freitas, de raadsman van Marcel Zeeuw, die voorlopig onderdak heeft bij de politie in Den Haag, dat zijn cliënt aan een posttraumatisch stress-syndroom lijdt. De ziekte van Zeeuw is de talk of the town. Bij iedereen die ik spreek, bespeur ik onverholen leedvermaak.

Donderdag

In de auto op weg naar het vliegveld Zanderij vertelt een van de reisgenoten dat het helemaal niet zo raar is dat Zeeuw aan het hallucineren is geslagen. Een normaal verschijnsel bij iemand die moet afkicken. Vier uur 's middags vertrekt het vliegtuig naar Port of Spain, Trinidad.

Vrijdag

Sandra en ik gaan in de namiddag naar de mascamp, het atelier, van de Callaloo company, waar masartist Peter Minshall de scepter zwaait. We zijn al jaren een grote fan van Minshall. Hij heeft het carnaval van Trinidad nieuwe impulsen gegeven en het volk laten zien dat dit feest zich bij uitstek leent voor de grootse gebaren van het theater op straat. De ideeën van Minshall zijn hem niet altijd in dank afgenomen. Hij presteerde het ooit om zijn band geheel en al in het wit te laten aantreden. ,,Carnival is colour'', schreeuwde iedereen.

Dit jaar heeft Minshall zijn band, The Lost Tribe gedoopt, ontworpen als een metafoor voor de spirituele wildernis waarin wij mensen beland zijn. Want ooit was er een eiland dat gezegend was met veel rijkdom. De bewoners waren uit verschillende delen van de wereld bijeengekomen en volgden eensgezind de grote kaart met de route naar een prachtige toekomst. Tot er onderling ruzies uitbraken over de weg die ze moesten inslaan. De kaart werd in stukken getrokken en iedereen die een snipper opving, dacht dat hij de juiste route voor zich had. Aldus raakte een heel volk op drift. De toekomst blijft duister, zolang de puzzels van de kaart niet gelegd zijn.

Vlak voor ons vertrek naar Port of Spain hadden Sandra en ik besloten dat we dit jaar toch maar niet zouden meedoen met Minshall. Maar nu we in de mascamp staan en de bedrijvigheid om ons heen zien, zwichten we voor Hod, ofwel Splendor, het enige kostuum dat nog niet uitverkocht is.

Zaterdag

Vandaag is het de dag van de `kiddies'. Het carnaval voor de kinderen. Ze lopen uitgedost door de straten en weten zo klein als ze zijn alles van het winen, de danskunst waarbij de heupen vervaarlijk heen en weer zwiepen terwijl de rest van het lichaam stilblijft.

's Avonds gaan we naar de Grand Finale van het Spektakula, zoals een van de grotere calypsotenten heet. Als de show is afgelopen, haasten we ons naar de savannah, waar de Panorama, de finale van de wedstrijd voor de steelbands aan de gang is. We treffen daar een totaal ander publiek, veel volkser en uitgesproken luidruchtig in hun reacties op de muziek.

Zondag

Om een uur 's middags zijn we op Victoria Square. Hier wordt elk jaar een Traditional Mas gehouden. Figuren uit de beginperiode van het carnavalsfeest in Trinidad, zo'n anderhalve eeuw geleden, maken hun opwachting. Stokkenvechters. Woordkunstenaars in de figuur van de Midnight Robber, de Pierrot en zijn broer de Pierrot Grenade. Angstaanjagende duivels en demonen. Steltlopers. Indianen. Zeelui. En natuurlijk de minstrels, mijn grote liefde. Drie oude mensen, twee vrouwen en een man, identiek gekleed in een rood-wit geblokt jasje over een witte broek en een kartonnen hoedje op het hoofd waarop in kinderlijke letters `minstrel boys' staat geschreven. Ze zingen met schelle, verkreukelde stemmen hun liederen op de hoeken van de straten en begeleiden zichzelf op een banjo.

Uit luiigheid bekijken we 's avonds op de televisie de Dimanche Gras-show, de finale van de wedstrijd om de titels van calypso monarch en van koning en koningin van het carnaval. We zijn vooral benieuwd wat Sugar Aloes gaat doen. De gemoederen zijn al weken lang verhit omdat hij in zijn lied `This stage is mine' gewaagde opmerkingen maakt over Oma Panday, de echtgenote van de minister-president. In het laatste couplet zingt Aloes dat Oma hem doet denken aan het lied `The lady is a tramp'.

De premier nam het ogenblikkelijk voor zijn vrouw op. Hij dreigde met censuur. De Mighty Sparrow, de wereldberoemde calypsoveteraan mengde zich in de strijd en veegde in het openbaar de vloer aan met zijn jongere collega. Wat Sugar Aloes doet is ongehoord, meende Sparrow. De rijke traditie van de calypso gaat eraan als mensen persoonlijk met naam en toenaam worden aangevallen onder het mom van picong, Trinidads voor de stekeligheid die onlosmakelijk verbonden is met een goede calypso.

Vanavond op het podium in de big yard, de koosnaam voor de savannah, laat Sugar Aloes zien en horen dat hij ballen heeft. Hij herhaalt onverstoord het couplet over Oma. En tot hilariteit van het publiek heeft hij nu zelfs een nieuw couplet toegevoegd, waarin Sparrow het moet ontgelden.

Sugar Aloes is goed voor de tweede plaats. De eerste prijs is ten volle gegund aan Singing Sandra, een forse dame die het met haar teksten opneemt voor de armen in de getto's. Zij is de tweede vrouw in 21 jaar die de titel van Calypso Monarch mag dragen. Ze huilt een kwartier lang van vreugde.

Carnival Monday

1.00 uur. Ongemerkt is de nieuwe dag begonnen. We pakken een busje naar het terrein van de Boy Scouts aan de westkant van de savannah. De mensenmassa laat zich ongegeneerd opzwepen door Square One uit Barbados. Voorzangeres Allison Hinds heeft een klokkende stem en kan uitstekend winen.

4.00 uur. Tijd voor J'Ouvert Morning. Hiermee wordt officieel het carnavalsfeest ingeluid. We worden opgezogen in de grote menigte die voetje voor voetje dansschuifelt langs of achter de grote trucks. In de komende 48 uur zullen de dj's en de muzikanten niet meer stoppen met het produceren van muziek.

4.30 uur. We raken verzeild in een modderband. Mensen die hun lijven, al dan niet voor de helft ontbloot, hebben ingesmeerd met bruine smurrie die ze in emmers met zich meezeulen. Gretig storten ze zich op argeloze voorbijgangers als wij en voor we het weten zitten we zelf onder de moddervegen.

5.30 uur. We hebben de hele kring rond de savannah gelopen en zijn nu op weg naar het zuiden van de stad. Langzaam kruipt de zon omhoog. De hemel verkleurt van diep zwart naar donkerblauw.

6.00 uur. De betovering is alweer verbroken. We staan in het volle zonlicht op een kruispunt in het centrum van de stad, waar alle bands en muziektrucks zich ophopen en iedereen uitgelaten rondspringt in een kakofonie van geluid. Hoewel iedereen? Op de hoge trottoirranden zitten, hangen en liggen zij die niet verder konden; overmand door slaap, of bevangen door de roes van net iets te veel alcohol.

9.30 uur. Terug in het hotel. Het douchewater dat langs mijn lichaam glijdt is zwart. Voor ik in bed stap smeer ik mijn kuiten en rug in met SRL-gelei.

13.00 uur. We gaan op zoek naar The Lost Tribe. Op Carnival Monday is het goed gebruik dat alle bands zich op straat presenteren. Niet in vol ornaat, maar aangekleed in een deel van hun kostuum. Minshall heeft de gewoonte om zijn band op maandag in het wit te laten lopen. Sandra en ik zijn helaas te laat. Als we in de savannah komen, is de band al voorbij geweest. We zouden ze ergens op de route moeten kunnen oppakken. Maar onderweg raken we verzeild in een andere band met bikinipakjes en laten we ons opnieuw in vervoering brengen door Square One. Allison staat nu hoog op de truck en zingt dezelfde liederen als we vroeg in deze ochtend gehoord hebben. Ze is zichtbaar vermoeid en bet haar nek om de zoveel tijd met een lap waarin ijsblokjes zitten.

19.00 uur. Etenstijd bij tante Nadia. De lieverd zorgt elk jaar dat we op tijd een goede stevige warme maaltijd naar binnen krijgen.

21.00 uur. Slapen. Morgen is de laatste dag van het carnaval en het zal ongetwijfeld de vermoeiendste zijn.

Carnival Tuesday

We moeten om zeven uur op de verzamelplaats in de buurt van de savannah zijn. Minshall transformeert de savannah dit jaar tot een woestijn waar zijn lost tribe als een wervelwind overheen moet, op de vlucht voor de brandende hitte van het middaguur, haastig op weg naar een oase.

Sandra en ik halen de grote bundel stof die het Bedoeïenenkostuum moet voorstellen tevoorschijn. Het is een kluwen van meters dunne katoenen banen in de kleuren crème en roestbruin. In de spiegel kijken we elkaar in de ogen. Neus en mond houden we verstopt achter de voile. En we lachen de nerveuze lach van een woestijnprinses aan het begin van de mooiste dag uit haar leven.

Het loopt al tegen acht uur als we met een busje bij de savannah komen. De grote weide is nog zo goed als leeg en ligt er wonderschoon bij. Het lage licht van de ochtendzon is nog te zwak om de dauw uit het gras te trekken. Plukjesgewijs komen van overal kleine groepjes masqueraders aangelopen.

We dwalen langs de andere groepen van de tribe, alles bij elkaar een kleine drieduizend mensen. En we raken nu al bedwelmd door de enorme vloed van woestijnkleuren, wit, beige en bruin. Elke sectie heeft een ander model, maar iedereen heeft een tulband op het hoofd. Sommige secties hebben lange stokken in de hand waaraan enorme witte lappen vastzitten. Bij het kleinste zuchtje wind fladderen de lappen heen en weer. Langzaam schuift de band op in de richting van het podium in de savannah. Op de cadans van de muziek schuifelen we mee, recht tegen de zon in die nu al op volle sterkte brandt.

Minshall, gekleed in een eenvoudige lange witte jurk, inspecteert zijn troepen en maant iedereen aan om bij zijn eigen sectie te blijven. Sandra en ik zijn ongehoorzaam. Als we bij onze sectie in de achterste regionen blijven, zullen we niets zien van de opkomst op het podium. Rond elf uur klinkt door de luidsprekers dat het nu de beurt is aan de lost tribe. Onder het geroffel van Indiase tassadrums en Afrikaanse trommels worden ellenlange repen witte stof het podium op gedragen. De wind zorgt voor het effect van een golvende zee. Dan volgen de secties van de band elkaar in rap tempo op, voortgedreven door opzwepende muziek.

We haasten ons om ons weer bij onze eigen groep te voegen, zodat we nu zelf ook het podium op kunnen. We zwaaien en draaien, de armen wijd uiteen. De dunne stof is gewillig en slingert zich in wijde cirkels om ons heen. Ik geniet van mezelf maar meer nog van de duizenden andere mensen om me heen, die hun lijven losschudden en zich overgeven aan de vervoering van dit moment.

,,The Ganges can meet the Nile'', zingt David Rudder als we verder door de straten trekken, op weg naar een volgend judging point. Rudder neemt een aparte plaats in onder de calypsozangers. Geen bijtende spot bij hem. Hij vertolkt eerder de melancholie van een bard die zijn toehoorders bij de hand wil nemen op de moeizame weg naar een beter leven.

Vele uren later, als mijn voeten al stuk gelopen zijn, de spieren in mijn kuiten noodsignalen afgeven, mijn neus verbrand is, mijn tong als schuurpapier aanvoelt en ik ben gaan geloven dat de oase een hersenschim is en dat we echt een lost tribe zijn, zijn het de woorden en de muziek van Rudder die bij mij de moed erin houden.

De zon gaat al bijna onder. Ik dansloop ingeklemd tussen de andere masqueraders. Met gesloten ogen wieg ik voort; onbevangen, onbevreesd. Tegen acht uur 's avonds zijn we in de buurt van de Callaloo mascamp, het einde van de tocht. Maar we kunnen niet verder. Bij een kruispunt botsen we op een enorme band van schaarsgeklede vrouwen en mannen met veren op het hoofd en kerstboomkralen om nek en middel. Ook de muziektrucks staan stil en bieden met hun oorverdovend geluid tegen elkaar op. De chaos is compleet.

We rapen onze benen bij elkaar en waggelen voorzichtig op onze laatste loodjes naar het hotel. Voor ons dit jaar geen las lap, zoals de laatste uren van het carnavalsfeest genoemd worden. Klokke middernacht wordt het bacchanaal stopgezet. De politie ziet er streng op toe dat het geluid op dat moment direct verstomt.

Aswoensdag 17 februari

,,Carnival is over.'' De vastentijd is begonnen. De kranten schrijven het. Iedereen zegt het. Toch klinkt het onwerkelijk. Herrezen uit een diepe slaap, met een stevig ontbijt in de maag gaan we weer de straat op. Om 11 uur schijnt de zon al op volle peperkracht. We hebben weer gewone kleren aan. De kuiten zijn nog strak gespannen maar de voeten gaan voort, eelt of niet.

Wie vandaag voor het eerst naar de savannah zou kijken en geen oog heeft voor de sporen van de duizenden auto's, trucks en voeten in het gras, ziet alleen een grote grazige weide zoals het in de vredige termen van de bijbel beschreven is. Ook aan de gezichten van de mensen op straat is niet te zien hoe ze zich de afgelopen dagen en nachten hebben uitgeleefd. De kleren die ze aan hebben zijn gewoon en zedig. De kantoordames hebben zelfs een panty aan en bij de kantoorheren in keurige witte overhemden met das zwaaien de aktetassen mee op het ritme van een alledaagse tropische wandelpas.

De tribune aan de South Quay judging point staat er nog wel. Onwezenlijk leeg. Alle sporen van uitzinnige hordes verklede, geverfde en bijna naakte mensen zijn verdwenen. De orkaan van soca- en rapsomuziek is gaan liggen. De torenhoge geluidsboxen zijn er niet meer.

We gaan weer naar huis. Alles is al herinnering geworden. Herinneringen die zich zullen nestelen in de randen van mijn geheugen. Altijd oproepbaar als het een dag niet meezit en altijd goed voor de momenten dat ik bevestiging zoek voor de heerlijkheid van het leven.