Het magische misdienen

Vaak vroor het nog in de achterkamer van de sacristie wanneer we daar om zeven uur 's ochtends onze winterjas verwisselden voor toog en superplie. Vanuit de ramen keek je in een zwarte leegte met slechts hier en daar een enkel lichtje aan de Hammerdijk of richting Sibculo. De meeste klasgenootjes sliepen nog. In deze tijd van het jaar ging maar een enkeling naar de vroegmis.

Het had iets magisch' deze rituele Romeinse verkleedpartij. En ook het aansteken van de kaarsen met de lange stok en de snuiter met daaromheen gewonden het waskoord waarvan het uiteinde boven de snuiter moest uitsteken, liefst een beetje gekromd omdat je anders als klein jongetje nooit met je vlammetje bij de pitten van de grote kaarsen op het altaar kon komen.

Het ophouden van de singel die de pastoor rond zijn middel om de amict bond en het aangeven van de stola en het rechttrekken van het kazuifel aan de achterkant. `Zijn de ampullen gevuld jongens', vroeg hij dan. De ampullen waren twee kleine kannetjes waarvan de een gevuld was met water en de ander met wijn. We knikten en stelden ons op om hem voor te gaan naar het altaar. De handen schuin omhoog wijzend voor de borst, duim en vingertoppen tegen elkaar. Langs de voorste banken schrijdend keek je met een snelle blik opzij wie er in de kerk zaten.

Een van de moeilijkste onderdelen van het misdienen was het ronddragen van het grote zware misboek van de ene kant van het altaar naar de andere. Je ging links de vier treden van het altaar op, boog voor de priester, pakte het boek samen met het lessenaartje, liep de vier treden weer af en dan rond het altaar naar de rechterkant. Midden voor het altaar moest geknield worden. Wat je ook deed, als je het midden van het altaar passeerde moest je knielen. Vervolgens moest je rechts de vier treden op en hier nu lag het gevaar op de loer dat je op je toog trapte en met boek en al voorover donderde. Elke misdienaar is dit wel eens overkomen. We keken dan ook altijd verlangend uit naar het moment waarop een nieuweling het boek moest `doen'. De truc was je knie zodanig op te trekken dat de toog naar voren zwaaide op het moment dat je je voet op de trede zette. Eenmaal veilig boven zette je het boek op het altaar, boog en ging weer naar je plek.

Tijdens de mis had elke misdienaar zij eigen taak. Naast het boek was er het wierookvat, het brengen van de wijn en het water en natuurlijk de bel. Deze had je in verschillende uitvoeringen. Ik herinner me een bronzen exemplaar met een prachtige klank. Het was een halfronde bol met daarbinnenin enkele halve rondjes met klepeltjes. Boven op de bel zat een ovale ring die je met je rechterhand beetpakte. Je linkerhand legde je op de bel met je duim achter de ring. Op deze manier kon je een zwaaiende beweging maken, maar ook korte rukjes geven. De bel werd gebruikt om de gelovigen te attenderen op het volgende onderdeel van de mis of om het belang te onderstrepen van bepaalde rituelen, zoals de consecratie. In de passieweek werd de bel vervangen door een houten klepper. Het Roomse leven was nog rijk.

    • Gerrit Kolthof