Gehaktmolen

OF DE WAARHEID ooit onweerlegbaar zwart-op-wit wordt vastgelegd, is de vraag. Daarvoor lijkt de bestuurlijke puinhoop die de parlementaire enquête naar de Bijlmerramp reeds in enkele weken heeft aangeboord, te groot. Maar na één maand openbare verhoren onder ede staat al wel vast dat een groot aantal betrokkenen zesenzeventig maanden lang geen aandrang heeft gevoeld om de inmiddels spreekwoordelijke pet af te zetten zodat wat frisse lucht hen dichter bij een deel van de waarheid zou kunnen brengen.

Dat de autoriteiten op die avond van 4 oktober 1992 het spoor enigszins bijster waren, is hen niet euvel te duiden. Er stort niet zo vaak een vliegtuig op een woonwijk neer, zeker niet in Nederland. Maar dat ze, toen de rook in de Bijlmer en in hun hoofden eenmaal was opgetrokken, geen niet-aflatende pogingen hebben ondernomen om de overal rondslingerende kennis te verzamelen en te proberen daarmee een puzzel op te lossen, is verbazingwekkend. Net zo raadselachtig is het dat de laatste onderzoeksgroep die vanwege de overheid moest puzzelen (de commissie onder leiding van voormalig secretaris-generaal R.J. Hoekstra van Algemene Zaken) een jaar geleden niet verder is gekomen dan het oordeel dat er na de ramp ,,inconsistent'' is gewerkt. Want dat begrip mag, na een maand onderzoek onder Damocles' zwaard van de meineed, toch wel een eufemisme van de slechtere soort worden genoemd.

ALLEEN AL DAAROM is het geen overbodige luxe gebleken dat de Tweede Kamer naar het paardenmiddel van de enquête heeft gegrepen, nadat ze jarenlang met een kluitje in het riet was gestuurd. De inmiddels her en der geëtaleerde kritiek op het optreden van de enquêtecommissie snijdt slechts hout waar het de zijlijn betreft. Zeker, sommige leden kennen het verschil niet tussen het vragen naar feiten en de biecht afnemen, anderen zijn wel eens té verliefd op de camera en de volgorde, respectievelijk presentatie van de onthullingen is vaak zo versnipperd of indringend dat de burger door de bomen het bos niet meer ziet en dus met louter (boze) vragen achterblijft. Maar die kanttekeningen, die helaas ook wel eens lijken ingegeven door een zekere hooghartigheid jegens de soevereine volksvertegenwoordiging waarin nu eenmaal per definitie leken zitting hebben, laten onverlet dat we nu ieder geval meer weten dan voor de jaarwisseling.

Voordien wisten we al dat het geheugen van de mens vaak lacunes vertoont als het erop aankomt. Thans weten we onder meer ook nog het volgende. Dat sommige medewerkers op Schiphol de druk niet aankonden en niettemin toezegden informatie van El Al geheim te houden. Dat de documenten over de ontbrekende twintig ton lading, die ruim zes jaar zoek waren, nu plotseling uit een bureaula konden opduiken, hoewel de inhoud ervan toch oogt als een onschuldige magazijninventaris. Dat er vliegtuigen de lucht ingingen waarvoor onderhoudsmonteurs hun hart vasthielden. Dat niet werd onderzocht of de wel bekende lading in het vliegtuig (zoals grondstoffen voor het gifgas Sarin in het ruim of het verarmd uranium in het staartstuk van de Boeing), die bij opstijgen nog keurig volgens internationale normen was verpakt, na de crash misschien gevaarlijk zou kunnen zijn voor de volksgezondheid. Dat medici van de minister van Volksgezondheid nu ineens wel patiënten mogen onderzoeken op klachten die voorheen geen indicatie vormden.

Maar we weten vooral dat overheidsorganen als de Rijksluchtvaartdienst en de Rijkspolitie zelfs in tijden van relatief ongekende calamiteiten vasthielden aan hun bureaucratische routine en niet verder keken dan hun verkokerde neus lang is, ook toen naderhand duidelijk werd dat de burgers opheldering wilden. Niet toevallig bond een hoge ambtenaar van het ministerie van Defensie - de plaatsvervangend voorlichter die de afgelopen vijf jaar nauw betrokken was bij de afwikkeling van dat andere symbool van bestuurlijke slordigheid (Srebrenica) - afgelopen week de kat de bel aan met zijn publieke en vooral ongevraagde pleidooi voor een parlementaire enquête naar de val van deze enclave in Bosnië en de nasleep ervan in Nederland.

TE MIDDEN VAN alle onduidelijkheden is dit al heel veel. Sommige ambtelijke functionarissen mogen hun neus daarvoor ophalen, omdat zij immers de professionals zijn en zich dus niet de les willen laten lezen door een stelletje amateurs. Maar de meer of minder verantwoordelijke politieke autoriteiten voelen aan hun water dat er zwaarder weer op til is. De enquête gaat namelijk allang niet meer over de Keuringsdienst van Waren die een bedorven gehaktbal over het hoofd heeft gezien.

De onbeheerste oprispingen van premier Kok hebben dat allereerst geïllustreerd. Of de premier loopt achter de feiten aan (zoals hij suggereerde met zijn opmerkingen over de positie van El Al op Schiphol, die hij later moest nuanceren) of hij weet dat er meer komt. De politieke deemoed die vice-premier Jorritsma (en ex-minister van Verkeer en Waterstaat) begin deze week aan de dag legde, wijst in dezelfde richting. Ze bereidt haar achterban daarom vast voor op mogelijk ongemakkelijke momenten.

WELKE CONCLUSIES de enquêtecommissie straks zal trekken is nog volstrekt onduidelijk. Niemand lijkt de draad nog te pakken te hebben gekregen. Welke gevolgen dit zal hebben voor de politiek verantwoordelijke gezagsdragers is derhalve evenmin helder. Om nog maar te zwijgen over de consequenties voor de defensieve ambtelijke cultuur die nu zo pijnlijk aan den dag komt. Maar het is niet overdreven op voorhand vast te stellen dat de Bijlmerenquête tot nadere introspectie noodt. Want in Nederland is er kennelijk geen complot nodig om er toch een zootje van te maken.