Ethiek (2)

Elsbeth Etty vraagt (Z 6 febr.) of er een ethicus is die haar kan uitleggen op welke morele gronden zij er aanspraak op kan maken hier in welstand te leven, terwijl elders mensen creperen. Stel dat een ethicus dat kan, dan kan mevrouw Etty zonder gewetensbezwaren van haar welstand blijven genieten. Stel dat geen ethicus te vinden is die haar die uitleg kan verschaffen, maar alle om hun oordeel gevraagde ethici zonder uitzondering verklaren dat haar welstand iedere morele grondslag ontbeert, dan zal ze ook van haar welstand blijven profiteren, zij het met gewetensbezwaren. De mensen die elders creperen kunnen voor het slechte geweten van mevrouw Etty geen brood kopen. Wanneer ethici als hun oordeel geven dat er geen morele gronden bestaan voor het feit dat bananen krom zijn, blijven we toch bananen eten. Het ethisch oordeel dat onze welvaart immoreel is, zal geen wijziging brengen in de welvaartsverschillen en vormt al helemaal geen vrijbrief voor economische vluchtelingen om zich hier te vestigen. Dat is immers weer immoreel tegenover degenen die geen geld hebben om hun overtocht naar hier te betalen. De welvaartsverschillen tussen hen en ons zijn zo groot dat zelfs een vertienvoudiging van de ontwikkelingshulp die niet kan verkleinen, zodat ook dan de neiging om naar hier te komen niet zal afnemen. De vraag of onze welvaart nu al dan niet moreel valt te verdedigen, is volstrekt rhetorisch. Wie die vraag desondanks stelt, wil daarmee slechts blijk geven van zijn eigen goede inborst.